2021 - Ezechiël deel 1, aflevering 26: Ezechiël 33

maandag 19 april

Introductie Ezechiël 33

De hoge God gaf op de Sinaï tien geboden aan Mozes (Exodus 20). Dat waren de openingsregels voor tal van geboden die een soort ‘huishoudreglement’ waren voor het volk Israël. Die waren gericht op een heilige natie onder Gods leiding. Daarin was het individu ondergeschikt aan het collectief. De profeten richtten zich daarom primair tot de leiders van het land. Die waren, met de hogepriester, Gods stadhouders op aarde. Toen het laatste restant van dit Godsrijk (Juda) was verdwenen, werd de oude taak van de profeten opgeheven. Er ontstond nu een nieuw soort profeet, de wachter over het huis Israëls (Ezechiël 3:16-21). Deze zag niet meer toe op het functioneren van de theocratie. Die was er niet meer. Hij blikte naar de toekomst. En zoals de wachter op de muur uitkeek naar veranderingen die van belang waren voor de stad, kijkt de wachter over het huis Israëls uit naar signalen die de komst van de Messias aankondigen. Dan zou, volgens Gods belofte, wel gelukken wat in het verleden was misgegaan. De geboden in Ezechiël 18 en 33 zijn de basis van de relatie met God na de ondergang. Die ‘nieuwe wet’ richt zich niet op een natie als geheel. Die was er niet meer. Het zijn wetten voor het individu en spreekt van een persoonlijke verantwoording tot de Almachtige. Een dergelijke benadering was nieuw. Tot dan was sprake van een collectieve verantwoording en binnen dat collectief was de koning (voorheen de richter) de uitvoerder van Gods wetten. Niet God zelf, maar hij diende ze ten uitvoer te leggen. In dit hoofdstuk wordt de zondaar niet meer geconfronteerd met de rechterlijke macht als ‘arm van God’. Indien hij zondigt wordt hij persoonlijk tot verantwoording geroepen.

v1    Toen kwam het woord van Jahweh tot mij, zeggende:

v2    Mensenzoon, spreekt nu tot uw landgenoten en zeg tot hen: Als Ik tegen een land het zwaard uitbreng en het volk van dat land kiest iemand van hun kant en zij stellen hem aan als hun wachter;

Ezechiël 33 opent met een hypothese. Neem een willekeurig land, waartegen Ik (God) het zwaard uitbreng. Het land is op de hoogte van de dreiging, want het kiest een wachter die uitkijkt naar de komst van dat zwaard. Dat is niet iemand van God, maar één van hun kant.

 

v3    Als hij dan het zwaard tegen het land ziet opkomen en hij blaast op de bazuin en hij waarschuwt (zo) het volk;

v4    Als dan iemand het geluid van de bazuin hoort, maar geen rekening houdt met de waarschuwing en het zwaard komt en neemt hem weg -, dan zal zijn bloed over zijn eigen hoofd komen.

v5    Hij hoorde het geluid van de bazuin, maar hield geen rekening met de waarschuwing. Zijn bloed ziel hebben gered.

Dan zal zijn bloed over zijn eigen hoofd komen betekent: Dan is hij zelf verantwoordelijk voor zijn dood. Uit vers 5 blijkt dat daarmee zijn zielenheil in het geding is. De tekst roept dus op tot bekering.

 

v6  Indien echter de wachter, als hij het zwaard ziet komen en vervolgens niet op de bazuin blaast en het volk (dus) niet gewaarschuwd wordt; als dan het zwaard komt en uit hen een leven neemt, dan zal die vanwege zijn zonde weggenomen worden. Maar voor zijn bloed zal Ik rekenschap vragen uit de hand van de wachter.

Het zwaard duidt Gods oordeel. Het leven dat genomen wordt, is van een zondaar die des doods schuldig is. Echter, de wachter had hem voor het oordeel kunnen waarschuwen. Dat had de zondaar wellicht aangespoord zich te bekeren. Zo wordt deze laatste kans hem ontzegd. Om die reden wordt de wachter schuldig verklaard aan het vergoten bloed van de zondaar.

 

v7  Wat u betreft, mensenzoon: Ik maakte u tot wachter over het huis Israëls. Alzo hoort u het woord uit mijn mond en zult u hen uit mijn naam waarschuwen.

Met vers 2-5 heeft de profeet de these neergezet. Nu gaat hij over tot de toepassing; het woord uit mijn mond. Dat betreft een dreigend oordeel (het zwaard v3, 6) en daarom dient Ezechiël als wachter op te treden en het volk Israël daarvoor te waarschuwen (Ezechiël 3:18). De tekst spreekt van maakte, verleden tijd. Daarin verwijst het naar Ezechiël 3:17 en daar vinden we de officiële aanstelling van de profeet. Dat gebeurde aan het begin van een reeks Godsspraken - oordelen over Israël en Juda - die formeel een einde maakte aan Israël als koninkrijk van God. Daarna bestaat er geen koninkrijk meer en richt de Almachtige zich niet meer tot het collectief (het gehele volk) maar tot individuen.

 

v8  Als Ik tot de goddeloze zeg: Gij zondaar, gij zult de dood sterven; en u spreekt zich niet uit om de goddeloze van zijn weg te weerhouden, die goddeloze zal sterven voor zijn zonde, maar van zijn bloed uit uw hand zal Ik rekenschap vragen.

v9  Maar indien u de goddeloze wel waarschuwt om van zijn weg af te keren en hij keert zich toch niet af van zijn weg, dan zal hij voor zijn zonde sterven, maar u zult uw ziel hebben gered.

Zowel de rechtvaardige als de goddeloze horen de waarschuwing van de wachter dat het oordeel ophanden is. De goddeloze wordt aangezegd gij zult de dood sterven. De rechtvaardige wordt ook vermaand. Dat is verrassend. Hij blijkt niet genoeg te hebben aan zijn eigen gerechtigdheid. Hem wordt opgelegd om de goddeloze tot bekering te bewegen. Verzuimt de rechtvaardige dat, dan is hij medeschuldig aan het sterven van de zondaar, waardoor deze verloren gaat. Die schuld wordt zwaar geacht, want uit vers 9 blijkt, dat de rechtvaardige die de zondaar waarschuwt, aldus zijn ziel redt.

 

v10 Gij dan, mensenzoon, zeg nu tot het huis van Israël: Aldus spreekt gij, zeggende: Inderdaad, onze overtredingen en onze zonden zijn op ons. Om die reden zijn wij degenen die wegkwijnen. Hoe zouden we dan leven?

De profeet spreekt op Gods bevel tot het huis van Israël – alle Israëlieten. Niemand van hen voelt zich schuldig. Men waant zich slachtoffer van de zonden der vaderen (Ezechiël 18). Die schuld zien zij als de oorzaak voor hun doem (Hoe zouden we dan leven?), niet hun eigen gedrag. Het woord zeggende heeft de betekenis van een gezegde die als standaard excuus diende voor de misère van Israël. Zoals in Ezechiël 18:2c: De vaders eten zure druiven en de tanden van de kinderen zijn aangetast.

 

v11 Zeg nu tot hen: Zo waar Ik leef, zo spreekt de Soeverein Jahweh: Ik vind geen behagen in de dood van de goddeloze maar meer daarin dat de goddeloze zich afkeert van zijn weg, opdat hij leeft. Keer nú om, keer u nu af van uw wegen die verdorven zijn. Welnu, waarom zou u sterven, o huis van Israël?

Het fatalisme van het volk Israël doet de Almachtige in woede uitbarsten. Hun houding suggereert dat het Gods doelstelling is om zo veel mogelijk goddelozen te straffen. Maar dat is niet zo. Hun sterven is geen doel op zich, maar een onvermijdelijk eindstation indien zij zich niet bekeren. Daarom talmt de Allerhoogste en stelt Hij elk oordeel zo lang mogelijk uit; 2 Petrus 3:9 (N.B.G.-vertaling): De Here talmt niet met de belofte, al zijn er die aan talmen denken, maar Hij is lankmoedig jegens u, daar Hij niet wil dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen.

 

v12 Daarom, mensenzoon, zult u nu tot uw landgenoten zeggen: De gerechtigheid van de recht- vaardige zal hem niet redden op de dag van zijn ongehoorzaamheid. Ook zal de goddeloosheid van de zondaar hem, daarom, niet ten val brengen op de dag dat hij zich afkeert van zijn goddeloosheid. Ja, de rechtvaardige zal dienaangaande niet toegestaan worden te leven, ten dage dat hij zondigt.

De inertie van de samenleving van Israël wordt hier scherp veroordeeld. Er is geen sprake van dat een mens willoos slachtoffer is van een onherroepelijk lot. Wij hebben wel degelijk invloed en zijn daarom voortdurend verantwoordelijkheid voor onze daden. De zogenaamde rechtvaardige, die ogenschijnlijk volgens Gods wetten leeft, wordt niet gered door z’n reputatie v12a. Hij heeft geen aflaat gekocht die toekomstige ontsporingen compenseert. De rechtvaardige die bewust zondigt, verspeelt ten dage dat hij zondigt zijn leven. Dat is niet alleen zijn fysieke bestaan. Er wordt op het ware leven gedoeld, het zalige leven. En de zondaar mag zich niet verschuilen achter zijn goddeloosheid, alsof voor hem de hemel per definitie gesloten is. Indien hij zich bekeert zal ook voor hem het licht gaan schijnen.

 

v13 Wanneer Ik tot de rechtvaardige zeg: Tot leven zal hij leven. Echter hij, ja hij vertrouwt op zijn (eigen) gerechtigheid en doet kwaad, dan zullen al zijn rechtvaardige daden niet herinnerd worden. En voor het kwaad dat hij deed; daarvoor zal hij sterven.

Vervolgens wordt de rechtvaardige rechtstreeks aangesproken. Hem wordt allereerst de doelstelling van zijn aardse leven voorgehouden: Tot leven zal hij leven. Dus zijn aardse leven dient uit te monden in het ware leven in het hiernamaals, de zaligheid. Echter, de rechtvaardige meent dat hij er al is. Dat hij zoveel krediet bij God heeft, dat hij uitverkoren is. Dat krediet beoordeelt hij als zo groot, dat hij zich permitteert te zondigen (doet kwaad). Dat getuigt van de diepste minachting voor het wezen van God. Dat is bewuste ontrouw, waarmee hij verraad pleegt (Ezechiël 18:24). In Mattheüs 12:31 bevestigt Jezus de strekking van deze profetie: Alle zonde en lastering zal de mensen vergeven worden, maar de lastering van de Geest zal niet vergeven worden.

v14 En als Ik tot de goddeloze zeg: Ten dode gedoemd zult gij sterven, maar hij keert zich af van zijn zonde en handelt in gerechtigheid en fatsoen,

De boetvaardige zondaar keert zich af van zijn zonde (Ezechiël 18:21) en na zijn bekering handelt hij in gerechtigheid en fatsoen. Niet omdat hij krediet bij God wil opbouwen, maar omdat hij van zijn verkeerde weg is afgegaan uit liefde voor God en zijn geboden. Dat is echte bekering!

Ten dode gedoemd zult u sterven – Een mens kan niet tweemaal fysiek sterven. We spreken hier over verloren gaan, dus de bestemming na het sterven. Dat is dus ‘de dood van de ziel’, verloren voor God.

en handelt in gerechtigheid en fatsoen – In gerechtigheid handelen is leven volgens Gods wet. Maar die wet geeft geen antwoord op alle vragen. Daarom wordt er aanvullend van fatsoen gesproken. Dat betreft is niet de letter, maar de intentie van de wet. Bij fatsoen passen begrippen als hulpvaardigheid, zorgzaamheid en mededogen. Dat is de echo van de liefde tot God die de bekeerde goddeloze toont. Dat is de vingerafdruk van God die in de menswording van Jezus Christus gestalte kreeg.

 

v15 de goddeloze een pand teruggeeft, gestolen goederen terug laat gaan, hij de inzettingen des levens volgt en geen kwaad doet; tot leven zal hij leven. Hij zal niet sterven.

Het was algemeen gebruikelijk dat men iets in pand gaf aan de verstrekker van een lening. Dat diende als waarborg . Indien men het pand, na aflossing, niet teruggaf, was in feite sprake van diefstal.

Hij de inzettingen des levens volgt en geen kwaad doet – Dat is: Hij die volgens Gods wetten leeft en zich verre houdt van het kwaad – dus een heilig leven leidt.

Tot leven zal hij leven was kennelijk een bekend gezegde. Nemen we de uitdrukking letterlijk, dan zal het leven van de rechtvaardige tot het ware leven leiden – een leven in zaligheid.

 

v16 Al zijn zonden die hij gepleegd heeft zullen niet tegen hem herinnerd worden. Hij heeft gedaan wat rechtvaardig is en fatsoenlijk. Tot leven zal hij leven.

Wat een fantastische uitspraak. De persoonlijke bekering van de zondaar wast zijn ‘kerfstok’ schoon en zo  ontstaat een ware rechtvaardige uit wat eens een verloren goddeloze was (Ezechiël 18:22).

 

v17   Toch zeggen uw landgenoten: De weg des Heren is niet recht. Maar het is hun weg die niet recht is.

Uit vers 10 bleek dat Israël de oorzaak van het oordeel niet bij zichzelf zocht. Hun voorvaderen waren schuldig. Dus, zo stellen zij, handelt God onrechtvaardig jegens ons. Met kracht wordt die claim nu afgewezen. De overweging dat God onrecht zou kunnen plegen is natuurlijk absurd. Hij maakt dan ook duidelijk dat het wel en wee van Israël Zijn zaken zijn. Die verdragen geen discussie of amendering v20.

 

v18 Als een rechtvaardige zich van zijn rechtvaardigheid afkeert en kwaad doet, zal hij ervoor sterven.

v19 Doch als de goddeloze zich afkeert van zijn goddeloosheid en hij handelt naar recht en gerechtigheid, dan zal hij, ja hij, daardoor leven.

De rechtvaardige kan voor zijn zonde sterven (vers 13). Dat wist men wel. Israël hield er echter geen rekening mee dat een goddeloze, indien hij zich bekeert, daardoor leven zal, omdat de zonden worden vergeven (vers 16: niet tegen hem herinnerd worden). Juist dat is, in Gods ogen, het ultieme bewijs dat de weg des Heren wel recht is v20. Zo staat mededogen, die de essentie van de wet vertegenwoordigt, tegenover de brute hardheid van de letter van de wet. Het is Jezus Christus zelf die dit nog eens ondubbelzinnig bevestigd, Mattheüs 9:13 (NBG): Barmhartigheid wil Ik en geen offerande; want Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.

 

v20 Toch zegt u: De weg des Heren is niet recht. Ik zal u richten, o huis Israëls, een ieder naar zijn eigen wegen.

Gods wetten zijn volstrekt redelijk. Haast verbaast klinkt het: Toch zegt u: De weg des Heren is niet recht. Daarin klinkt een echo van Deuteronomium 30:11 (NBG): Want dit gebod, dat Ik u heden opleg, is niet te moeilijk voor u en het is niet ver weg. Het is niet in de hemel, zodat gij zoudt moeten zeggen: Wie zal opstijgen ten hemel, het voor ons ophalen, en het ons doen horen opdat wij het volbrengen?

Het resultaat van de halsstarrige houding van het volk Israël is voorspelbaar. God brengt hen onder het oordeel. Echter niet meer als collectief, dus als compleet volk, zoals voorheen het geval was. Nu betreft het oordeel het individu na het sterven; een ieder naar zijn eigen wegen.

 

v21 Het geschiedde in het twaalfde jaar van onze ballingschap, op de vijfde van de tiende maand, dat een gevangene die uit Jeruzalem ontkomen was tot mij kwam om te zeggen: De stad is gevallen.

v22 Nu was de hand van Jahweh op mij geweest, des avonds, voordat de ontkomen gevangene aankwam. Toen opende Hij mijn mond - nog voordat hij in de morgen tot mij kwam. Aldus was mijn mond geopend en was ik niet langer stom.

Met Ezechiël 33:21 begint een nieuwe perikoop. Deze doet dienst als een naschrift. De val van

Jeruzalem was in het elfde jaar van Zedekia, in de vierde maand, op de negende van de maand (Jeremia 39:2). De datum van Ezechiël 33:21 valt anderhalf jaar later. Kostte het zoveel tijd om deze boodschap naar Babel over te brengen? Neen. De verklaring is dat Ezechiël de Babylonische telling hanteert (waar hij woonde) en Jeremia de Israëlische. Dat reduceert de tijdspanne tot ongeveer vijf maanden. Dat ligt niet ver van de normale reistijd tussen Jeruzalem en Babel in die dagen.

Voorafgaande aan de aankomst van de gevluchte gevangene werd Ezechiël door God van zijn stomheid genezen werd. Die was hem opgelegd toen de eerste doemprofetieën tot hem kwamen.

 

v23 Toen kwam het woord van Jahweh tot mij, zeggende:

v24 Mensenzoon, zij die wonen tussen die bijzondere ruïnes in het land van Israël zeggen: Wij stellen: Abraham was maar alleen, toch bezat hij het land. Wij echter zijn met velen. Tot ons is het land als bezitting gegeven.

Ondanks de verwoesting van Jeruzalem en de slachting onder de bevolking was een overblijfsel in Juda blijven wonen. De catastrofe had hen niet tot bekering bewogen. Zij blijven zij zich op Abraham beroepen en ontlenen daaraan hun aanspraken op het land. Dat gaat gepaard met een arrogante opstelling, want zij claimen door hun aantal zelfs een groter recht op Kanaän te hebben dan Abraham.

 

v25 Daarom zeg nu tot hen: Zo spreekt de Soeverein Jahweh: Aangezien u het bloed eet en uw ogen opslaat naar de afgoden en bloed vergiet; zou u dan (toch) het land bezitten?

v26 U steunt op uw zwaard. U bedrijft gruwelijkheden. Ook schendt u de vrouwen van uw  naaste. Zou u dan toch het land bezitten?

Het beroep op Abraham v24 is niet geldig, want Abraham was rechtvaardig, terwijl het volk Israël in goddeloosheid was weggezonken. Zij aten bloed*, dienden de afgoden en vergoten onschuldig bloed.  Zij steunden op het zwaard, bedreven gruwelijkheden en schonden de vrouwen van uw naaste v26. Daarmee worden de belangrijkste zonden nog eens samengevat. De conclusie ademt Goddelijke ironie uit: zou u dan (toch) het land bezitten? Anders gezegd: Hoe durf je nog staat te maken op het land.

 

v27 Dit zult u tot hen zeggen: Zo spreekt de Soeverein Jahweh: Zo waar Ik leef, zekerlijk zal wie in de ruïnes verblijft door het zwaard vallen. En Ik zal een ieder die in het open veld is aan de wilde dieren geven om hem te verscheuren en die in vestingen en grotten zijn zullen sterven aan de pest.

v28 En Ik zal het land tot verwoesting en tot een woestenij maken en de trots van haar sterkte zal eindigen. Dan zullen de bergen van Israël woest worden zodat niemand er doorheen trekken zal.

v29 Dan zullen zij weten dat Ik Jahweh ben, als Ik het land tot een verlaten woestenij gemaakt heb, vanwege al de afschuwelijke dingen zie zij hebben gedaan.

Dan wordt ook over de nog resterende inwoners het oordeel uitgesproken. De tekst laat weinig aan de verbeelding over en de vervulling daarvan geschiedde kort daarna. Jeremia 40-43 spreekt daarover.

 

v30 Wat u betreft, mensenzoon, uw landgenoten spreken onderling over u bij de muren en deuren van de huizen. En de een zegt tegen de ander: Ieder spreke tot zijn naaste, zeggende: Kom toch! Meteen! Hoor toe wat de boodschap is die van Jahweh gekomen is.

Allen komen samen (spreken onderling) en bespreken de situatie. Vervolgens gaat men naar Ezechiël voor een reactie op de verwoesting van Jeruzalem. Dit kon God toch niet over zijn kant laten gaan?

 

v31 En zij komen tot u, gelijk het volk pleegt te doen en mijn volk zit voor u en luisteren naar uw woorden. Echter niemand van hen brengt die in praktijk. Zeker, zij (tonen) toewijding met hun mond, maar hun hart streeft onrechtmatig gewin na.

v32 Voorwaar, zie toch! U bent voor hen als een liefdeslied, een prachtige stem met zoetgevooisd snarenspel. Want zij horen uw woorden maar brengen die niet in praktijk.

De boodschap van Ezechiël is teleurstellend. Hij herhaalt slechts eerdere boodschappen van God. De ballingen twijfelen er niet aan dat Ezechiël woorden van God spreekt. Zij komen echter niet verder dan de constatering: Hij heeft het weer goed gezegd; het raakt hen niet. De boodschap is ‘voor de ander’ bedoeld, wie het ook moge zijn. Hun hart blijft verhard en is gericht op persoonlijk gewin.

 

v33 En als dit alles komt - het zal zeker gebeuren! -, dan zullen zij weten dat er een profeet onder hen geweest is.

Echter het oordeel komt. Dan zal blijken wie Gods Woord in de wind geslagen heeft – Woorden ten leven. Dan zal een ieder weten dat er een profeet onder ons is geweest. Dat was in die dagen Ezechiël. Daarna kwam Jezus Christus. En een ieder die zijn woord heden verkondigt, is profeet in zijn naam!

 

Dit is een uittreksel. Voor een veel uitgebreider bespreking verwijzen we naar:  De Profeet Ezechiël 1 door G.A. van de Weerd.

 

Copyright: Gert A. van de Weerd; PMI Boeken BV.

Terug naar overzicht
2021 - Ezechiël deel 1, aflevering 26: Ezechiël 33