2021 - Ezechiël deel 1, aflevering 9: Ezechiël 9

woensdag 23 december

Ezechiël 9: Inleiding

In hoofdstuk 8 werd de profeet Ezechiël door de Heerlijkheid des HEEREN in de tempel rondgeleid. Hij trof daar uitzonderlijk zware vormen van goddeloosheid aan. Dat ontnam hem alle hoop dat de oordelen nog konden worden afgewend. Het hoofdstuk sluit met de definitieve aankondiging van de vernietiging van Jeruzalem. In hoofdstuk 9 lezen we over de uitvoering van het vonnis. Zeven verderfengelen trekken door de stad en voeren een deel van de oordelen van God uit. Zij veroorzaken epidemieën en hongersnood. Hun taak blijft echter beperkt tot Jeruzalem. Nergens staat dat zij ook buiten de stad optraden, hoewel ook daar een groot deel van de bevolking omkwam.

Veel exegeten stellen dat de verderfengelen ook de drijvende kracht waren achter de verwoesting van Jeruzalem door de legers van koning Nebukadnezar. Het is echter maar de vraag of dat zo is. Het lijdt geen twijfel dat in relatie tot de ondergang van Juda en Jeruzalem de macht van God van invloed was. Echter, er is geen aanwijzing dat die ook het daadwerkelijk afslachten van de bevolking betrof.

De tempel, maar ook Jeruzalem vielen onder de bescherming van de Almachtige en dat vloeide voort uit het Sinaïtische verbond. De God van Israël greep, zo nodig, zelf in, wat o.a. blijkt uit 2 Koningen 19:35-36. Toen werd het leger van koning Sanherib, dat Jeruzalem belegerde, door een verderfengel vernietigd. Die bescherming was onzichtbaar, maar wel aanwezig (Een voorbeeld, waar een hemelse macht zichtbaar wordt, vinden we in 2 Koningen 7). Die Goddelijke bescherming wordt nu opgeheven.

Zendt God dan zelf het leger van koning Nebukadnezar om het vonnis over Jeruzalem te voltrekken? Waarschijnlijk niet. Veeleer lokt het opheffen van de bescherming van Juda en/of Jeruzalem een onvermijdelijke reactie van Satan uit. Deze was tot dan nog beperkt in zijn mogelijkheden, omdat de stad nog onder Gods bescherming viel.

Satan is de natuurlijke vijand van Israël, omdat het Gods volk is. Uit Israël zal bovendien de Messias voortkomen, wiens komst uiteindelijk tot de ondergang van Satans macht zal leiden. Dat was en is voldoende aansporing voor Satan om de Babyloniërs te stimuleren het vuile werk voor hem te doen. Dat deden ze dan ook en met onverwacht grote overgave. De slachting onder de joden was ongehoord en zeker niet in overeenstemming met het normale gedrag van de Babyloniers. Gewoonlijk waren ze betrekkelijk humaan. Daarin trad Satan wellicht als ongewilde bondgenoot van de verderfengelen op.

Onder toelating van

We bespeuren hier een opmerkelijke parallel met Job 1. De rechtvaardige Job leeft in grote rijkdom en voorspoed. In een gesprek met Satan noemt God hem als lichtend voorbeeld van een godvruchtig mens (niemand op aarde is als hij, zo vroom en oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad). Satan echter is van mening dat het geloof van Job het gevolg is van zijn voorspoed en van Gods bescherming (aan alle kanten beschut). Dan heft de Almachtige die bescherming op en Satan neemt Job zijn bezit en kinderen af. Slechts zijn leven en zijn gezondheid blijven dan nog gewaarborgd (Job 1:12). Job weigert echter zijn geloof af te zweren en God te vervloeken. Tenslotte vraagt Satan zelfs om het leven van Job. Dat wordt hem geweigerd, maar zijn gezondheid mag satan wel aantasten. De vrome Job houdt echter stand: In dit alles zondigde Job met zijn lippen niet (Job 2:10b).

Met Israël ging het, wat betreft Gods bescherming, vrijwel net zo. Echter hier speelde de zonde wel een beslissende rol. Zo lang Israël God diende was de macht en de voorspoed van de natie (onder David en Salomo) onaantastbaar. Toen het volk Israël ertoe overging de afgoden te dienen, werd het land in twee staten gesplitst, Israël en Juda. Naarmate het gewicht van de zonden toenam, nam de bescherming van God af. Israël ging uiteindelijk ten onder en Juda kromp in tot soort stadstaat. Nu gaat de Almachtige nog een stap verder. Ook de bescherming van Juda als onafhankelijke staat en van de stad Jeruzalem, wordt opgeheven. Dat lokt een onmiddellijke reactie van Satan uit, want met de ondergang van Juda en de verwoesting van de tempel maakt Satan een einde aan het Godsrijk én berokkent hij schade aan de reputatie van God. Dat is meer dan voldoende drijfveer voor hem.

Vrs1 Toen riep Hij uit - in mijn oren klonk het als een luide stem - zeggende: Breng de bewakers van de stad hier! Ieder met zijn eigen vernietigingswapen in zijn hand.

Met vers 1 vangt de uitvoering van het Goddelijke vonnis over Jeruzalem aan. De bewakers van de stad worden opgeroepen. Dat blijken verderfengelen te zijn die voorheen waarschijnlijk de stad beschermd hebben (Zie: Inleiding). Elk van hen blijkt een eigen vernietigingswapen in zijn hand te hebben; is dus een specifieke rol toegewezen bij de komende ondergang van Jeruzalem.

Vrs2 En ziet daar! Zes mannen kwamen uit de richting van de hoge poort die op het noorden uitziet en ieder had een dodelijk wapen in zijn hand. Tegelijkertijd kwam een man die met linnen bekleed was en schrijfgerij met een boekrol aan zijn beide zijden had. En zij kwamen naar binnen en stonden stil naast het bronzen altaar.

De tekst spreekt van zes mannen en een zevende, de man in linnen. Zij spelen een belangrijke rol in de ondergang van Jeruzalem. De verderfengelen staan stil bij het bronzen altaar. Brons symboliseert de gerechtigheid Gods en dat is dan ook het doel waarvoor zij komen. Om gerechtigheid te voltrekken.

 

Excurs 1: De zeven verderfengelen

Ezechiël 9:2 vertelt over zes mannen en een zevende die het vonnis over Jeruzalem uitvoeren. De zes zwermen uit over de stad en bewerken de dood van een belangrijk deel van de bevolking (vers 5-8). De zevende man echter - een man, die met linnen bekleed was (vers 2) - plaatst een teken op elk van de inwoners, die treuren en weeklagen over al die afschuwelijke dingen, die in haar midden zijn bedreven (vers 4). Dat dient tot hun redding.

Uit hoofdstuk 10 blijkt echter dat ook de zevende een deel van het vonnis uitvoert, want hem wordt opgedragen: Vul dan uw handen met vurige kolen vanuit hetgeen zich tussen de cherubs bevindt en strooi het uit over de stad (Ezechiël 10:2). Daarmee komt het totale aantal op zeven verderfengelen.

Er zijn sterke aanwijzingen dat de verderfengelen niet zo maar zeven engelen zijn. Ook in het boek Openbaring vinden we zeven verderfengelen die identiek zijn aan die van Ezechiël. Hen wordt opgedragen de oordelen Gods aan het eind der tijden uit te voeren (Openbaring 8-10 en 16:1). Het is waarschijnlijk dat deze zeven aartsengelen zijn die belangrijke taken voor de Almachtige uitvoeren.

De raad der heiligen

In Psalm 89:8 staat geschreven: God is zeer ontzagwekkend in de raad der heiligen. Dat duidt op een raad van hemelwezens, zoals ook uit Daniël 4:17 blijkt. Jesaja 62:6 en Zacharia 4:10 geven eveneens aanwijzingen in die richting. Kennelijk bestaat er een hoge raad van hemelwezens die God bijstaat. Het is aannemelijk dat zij synoniem zijn met de zeven geesten voor zijn troon, Openbaring 1:4 en de zeven geesten, die voor God staan, Openbaring 8:2. Van deze zeven aartsengelen zijn er waarschijnlijk vier de aanvoerders van  hemelse legers (de wagens van Zacharia 6), die in de Eindtijd de wereld onder controle van Jezus Christus, de Messias zullen brengen.

Er bestaan verschillende soorten hemelwezens. In de Bijbel wordt gesproken van engelen, cherubs (Psalm 99:1 en Jesaja 37:16), serafs (Jesaja 6:2) en aartsengelen. Tot deze laatste orde behoren Michaël en de engel Gabriël (Lucas 1:19,26 / Daniël 8:16 en 9:21). De Joodse traditie noemt ook de andere vijf bij naam: Uriël, Raphaël, Raguël, Jeremiël en Saraquël (I Enoch 20).

 

Excurs 2: De man in linnen

Niet-Joodse exegeten zijn verre van eensgezind over de identiteit van deze persoon. In rabbinale kringen is dat wel het geval en gaat men ervan uit dat het de aartsengel Gabriël betreft. Zij zien in hem Gods boodschapper en de uitvoerder van zijn wil op aarde.

Linnen kleding werd door de priesters gedragen, als ambtsgewaad (Exodus 28:29-42). De hogepriester droeg een linnen gewaad op grote verzoendag (Leviticus 16:4). Daniël 10:5 en 12:6-7 spreken ook van een man met een linnen gewaad. Over zijn identiteit is echter geen zekerheid. De één ziet er een aartsengel in, de ander de Engel des Heren, de Oudtestamentische verschijning van Jezus Christus.

In het Damascus Convenant (pagina 20), een document van de Qumransekte, dat ongeveer in 100 v. Chr. gedateerd moet worden, vinden we een opmerkelijke passage:

Degenen die de geboden en voorschriften houden zijn de ‘behoeftigen van de kudde’. Dezen zullen ontsnappen in de tijd van de beproeving en degenen die achtergelaten worden zullen worden overgeleverd aan het zwaard, als de Messias van Aäron en Israël komt. Het zal zijn zoals het was in de tijd van de eerste beproeving, toen Hij zei (door de hand van Ezechiël): ‘maak een merkteken op de voorhoofden van degenen die kermen en weeklagen’. Maar zij die achtergelaten waren, werden overgegeven aan het zwaard, welke de wraak van het verbond uitstortte.

Uit dit citaat blijkt dat de Joodse traditie kort voor de geboorte van Jezus in Ezechiël 9:2 de Messias herkende. Toen dat werd overgenomen door de christenen, werd de  uitleg op dit punt gewijzigd.

Helaas komen we niet tot een Bijbels gefundeerde keuze. Het getal zeven (de verderfengelen) vereist een zevende (de man in linnen) naast de zes (vrs2a). Dan is Gabriël de logische keus. De traditie kiest Jezus Christus en de oudere Joodse traditie de Messias (die alleen voor christenen Jezus Christus is).

We gaan verder met Vrs2c: en schrijfgerij met een boekrol aan zijn beide zijden had

De man in linnen heeft een boekrol bij zich. Later blijkt dat hij een aantal inwoners van Jeruzalem van een teken voorziet dat hen redt van de zeven verderfengelen.

Op diverse plaatsen in de bijbel wordt over hemelse boeken geschreven: Exodus 32:32,  Daniël 12:1c, Maleachi 3:16, Lucas 10:20, Openbaring 20:12, Openbaring 21:27. Deze verklaring is niet de juiste plaats om hier diep op in te gaan. Het is waarschijnlijk dat er drie boeken in de hemel bestaan, waarin de namen van mensen staan opgetekend.

  1. Het boek des levens.
    Daarin staan alle mensen opgetekend die ooit geleefd hebben en nog geboren zullen worden. Dit boek bevat een verslag van hun leven op aarde en wordt in het laatste oordeel geopend.
  2. Het gedenkboek van hen die de Here vrezen.
    Dat bevat de namen van alle gelovigen, uitgezonderd de leden van de Gemeente van Christus.
  3. Het boek des levens van het Lam.
    Daarin vinden we allen die in Christus zijn gestorven en nog zullen sterven, maar ook zij die met Hem ten hemel zullen opvaren.

In dit geval zal het gegaan zijn om ‘het gedenkboek van hen die de Here vrezen’ (2).

Vrs2d En zij kwamen naar binnen en stonden stil naast het bronzen altaar.

Het materiaal koper wordt in de bijbel vaak verbonden aan de gerechtigheid Gods, die zich ten oordeel met de zonde bezighoudt (bv. de koperen slang van Mozes). De tempel bevatte een aantal belangrijke onderdelen die van koper gemaakt waren en alle een bijzondere symboolfunctie hadden,  hetzij:

  A. ter reiniging - het koperen wasvat.   B. tot verlossing - het koperen altaar.   C. tot bevestiging van Gods koninkrijk - de koperen pilaren.

Vrs3 Toen steeg de glorie van de God van Israël op van boven elke cherub, waar hij zich boven bevond, naar de dorpel van de tempel. Daarop riep Hij tot de man bekleed met linnen die schrijfgerij met de boekrol aan zijn beide zijden droeg.

Er is nogal wat strijd over de plaats waar de dorpel van de tempel was gesitueerd. Geen enkele verklaring bevredigt of heeft sterke Bijbelse wortels. Nu is ook de vertaling met dorpel onzeker. Anderen spreken van de verhoging of het platform. In de laatste betekenis zou het dan gaan om het verhoogde gedeelte voor de ingang van het heilige van de tempel. Dat is de binnenste voorhof en dat lijkt een meer logische keuze.

Vrs4 En Hij, Jahweh, zeide tot hem: Ga door het midden van de stad, ja, door het midden van Jeruzalem! Plaats dan een teken op de voorhoofden van de mannen die treuren en weeklagen over al die afschuwelijke dingen die in haar midden zijn bedreven.

Degene die roept is God zelf. Deze draagt de man in linnen op om de gelovige inwoners van Jeruzalem van een teken te voorzien dat hen redden moet van de verderfengelen.

 

Excurs 3: De Taw op het voorhoofd

Het Hebreeuwse woord voor teken (Taw) is ook de laatste letter van het alfabet. In archaïstisch cursief- schrift had het de vorm van een X of een plusteken. In de periode na de ballingschap, was de Taw het  teken van de rechtvaardige. De vroegchristelijke kerk kende de Taw. De kerkvader Origines getuigt:

Omdat de Wet, die door de joden Thora wordt genoemd, zijn naam begint met de medeklinker Taw, is

het een symbool voor hen, die leven volgens de wet. En ook: Joden, die in Christus geloven zeggen dat de vorm van de Taw in Oudhebreeuws schrift lijkt op het kruis, en het voorzegt het teken, dat geplaatst zal worden op de voorhoofden van de Christenen. (Openbaringen 7:2-3)

Toen de kerkvaders van de vroegchristelijke kerk algemeen de Taw gingen associëren met het kruis

van Christus en in het bloed van het lam (Exodus 12:13) kruisdood van Jezus Christus voorzegd zagen, veranderde de opvatting van de Joden. Het bloed werd een teken van verderf in plaats van ten leven. En de Taw werd niet meer met bloed, maar met inkt geschreven (Talmoed: Sabbath 55a). De kerkvader Tertullianus schreef over apostelen en gelovigen die getekend en gezegeld waren:

Want dezelfde letter Tau van de Grieken, welke is onze T*, heeft het voorkomen van het kruis, welke hij voorzag dat we die op onze voorhoofden zouden hebben in het ware en katholieke Jeruzalem.

Tertullianus zag de profetie van Ezechiël verbonden met het kruis van Jezus Christus; zo zagen velen het na hem. Ook bij de verzegeling van de 144.000 (Openbaringen 7:2-3) werd door velen aan de Taw gedacht. Calvijn wees dat af, hij beschouwde het als dwalingen van de Roomse kerk; maar toch…

* Oorspronkelijk was het Kruis een T-vorm (wat juist is). Constantijn de Grote veranderde dat in ; onjuist!

Vrs5 En tot diegenen sprak Hij - zo klonk het in mijn oren -: Sluit u achter hem aan door de stad en dood! Laat uw oog geen medelijden tonen, noch zult u mededogen laten zien.

Ezechiël hoort een onbekende stem een opdracht geven. Hij concludeert (zo klonk het in mijn oren) dat die boodschap tot de verderfengelen gericht is. Het bevel tot executie bevat geen mededogen.

Vrs6 U zult zowel oude man, jongeling, als jong meisje, maar ook kind en vrouw doden.  Echter, een ieder die het teken draagt zult gij niet aanraken. Voorts zult u bij mijn heiligdom beginnen. Aldus begonnen zij met de mannen (de oudsten) die zich vóór de tempel bevonden.

Opvallend is de overeenkomst met Exodus 12, waar ook een doodsengel rondgaat. Daar is het bloed van een lam, dat op de deurpost werd gedaan, een teken voor de verderfengel om aan dat huis voorbij te gaan. Zij die gedood worden waren de eerstgeborenen van de Egyptenaren, dus zij die het eerst- geboorterecht bezaten. Nu betreft het doodsoordeel Gods volk, een uniek volk op aarde. Dat zijn zij die het eerstgeboorterecht in de heilsordening hebben ontvangen. Zij zijn Gods vijanden geworden, omdat zij het verbond met Hem verbroken hebben.

Met de mannen (de oudsten) worden de vijfentwintig mannen van Ezechiël 8:16 bedoeld worden. Zij waren immers bij het heiligdom (de tempel) aanwezig en bedreven daar gruwelijke zonden.

Vrs7 Toen sprak Hij: Verontreinig de tempel! Vul dan de hoven met gedoden! Ga nu! Dus gingen zij en zij doodden overal in de stad.

God geeft niet alleen Jeruzalem op, ook de tempel. Dus mag die nu wel verontreinigd worden. Het is een uiterlijk teken dat God zich teruggetrokken heeft. Dat de heiligheid van de tempel verleden tijd is. Hoofdstuk 10 beschrijft dat vreselijke moment, als de Heerlijkheid des HEEREN de tempel verlaat.

Vrs8 Het geschiedde nu, terwijl zij aan het doden waren dat ik alleen gelaten werd. Toen viel ik op mijn aangezicht en schreeuwde het uit en ik sprak: Ach, Soeverein Jahweh, gaat u nu heel het overblijfsel van Israël vernietigen met het uitstorten van uw wraak op Jeruzalem?

Dit spreekt voor zich. (Lees: Amos 7:1-6 / Jeremia 7:16, 11:14, 14:11)

Vrs9 Hij antwoordde tot mij: De zonde van het huis van Israël en Juda die groot was is tot uitzonder-lijke hoogte gestegen. Ja, het land is vol van bloedvergieten en de stad is gevuld met onrechtvaardig- heid. Voorwaar Ik zeg u: zij zeggen Jahweh heeft het land verzaakt en Jahweh kan niet meer zien.

Evenals in Ezechiël 8 laat God er geen twijfel over bestaan dat het oordeel definitief is. Fijntjes zegt Hij: zij zeggen Jahweh heeft het land verzaakt en Jahweh kan niet meer zien. De Joden gingen er dus

vanuit dat God het land verlaten heeft, want het gaat slecht met Juda. Daardoor kan Hij niet meer zien wat er in Jeruzalem gebeurt. Zo dachten de heidenen over de stomme afgoden, indien deze uit een land verwijderd werden. Die heidense denkwijze heeft Gods volk overgenomen. God heeft het land echter niet verlaten. Hij ziet alles en gaat, juist om wat Hij ziet (vers 10), de tempel en het land nu verlaten.

Vrs10 Juist daarom ben Ik er niet. Mijn oog zal geen medelijden tonen, noch zal Ik sparen. Wat zij gedaan hebben zal Ik op hun eigen hoofd doen neerkomen.

Vrs11 En ziet! De man gekleed in linnen, die het schrijfgerij aan zijn beide zijden had, kwam terug met een mededeling, zeggende: Ik handelde zoals U mij geboden had.

Kil klinkt de opdracht tot het oordeel. De milde toon die we zo vaak in de Bijbel aantreffen, ook als Israël zondigde, is verdwenen. De zeven verderfengelen en koning Nebukadnezar voeren het uit.

Dit is een uittreksel. Voor een veel uitgebreider bespreking verwijzen we naar:  De Profeet Ezechiël 1 door G.A. van de Weerd.

Copyright: Gert A. van de Weerd; PMI Boeken BV.

Terug naar overzicht
2021 - Ezechiël deel 1, aflevering 9: Ezechiël 9