Aflevering 9: Verzadigd van eigen kracht

vrijdag 02 maart

A. Jesaja 22:15-25, Introductie

Dit deel van Jesaja 22 handelt over de Eindtijd. De eerste indruk is echter dat over twee hoge ambtenaren aan het hof van koning Hizkia wordt gesproken, Shepna en Eljakim; dus de oude tijd. Probleem is dat die verklaring absoluut niet past binnen de opvolgende hoofdstukken van Jesaja; de context dus.

 

Het verhaal van Shepna komt zomaar uit de lucht vallen en heeft kop noch staart. We vinden Eljakim en Sjebna ook nog in Jesaja 36 en 2 Koningen 18 en daar zijn het inderdaad hoge ambtenaren aan het hof van Hizkia, dus waarom zou dat hier niet het geval zijn? Volgens de traditie wilde Shepna Jeruzalem overgeven aan de Assyriërs, terwijl Eljakim koning Hizkia adviseerde dat niet te doen en op God te vertrouwen. Daar is Shepna dus de kwade genius en Eljakim degene die in geloof op Jahweh vertrouwt. Indien we die tegenstelling hier meenemen en de woordbetekenis mee laten spreken (dus gewoon vertalen), ontstaat helderheid. Want Shebna betekent verzadigd van eigen kracht en Eljakim de verhoogde Godheid. Zij typeren respectievelijk de Antichrist (die de geest van Satan draagt) en Messias Jezus die inderdaad verhoogd zal worden, als Hij tot koning in Jeruzalem wordt gekroond. De tekst bevat dus een verborgen betekenis! Kun je dat dan zomaar veronderstellen? Natuurlijk niet, dat zou inlegkunde zijn… tenzij… alle puzzel- stukjes op zijn plaats vallen, want dan is sprake van hard bewijs en dat is hier het geval.

 

B. De Antichrist Verdreven– Jesaja 22:15-25

15 Zo spreekt mijn Heer, Jahweh van de Hemelse legers: ‘Ga naar binnen, tot iemand die tot nut gesteld was, tot de shepna, het juk van het Huis.’

De profeet Jesaja wordt naar Shebna gezonden. God noemt hem: iemand die tot nut gesteld was; dus nu niet meer! Dat doet denken aan Satan die eens goed was, maar tot zonde verviel. De naam Shebna betekent: verzadigd van eigen kracht, wat een belangrijk kenmerk van Satan en/of de Antichrist is. God spreekt als Heer van de Hemelse legers = aanvoerder in de strijd tegen…? Dat moet Shepma/Satan zijn die immers het juk (= de last of plaag) van het Huis (= de tempel) is.

16 Wat gebeurt hier en wie ging naar deze plaats (= de tempel)? Want er wordt elders een graf (voor Shebna) uitgehakt. De Allerhoogste zal zijn graf uithakken. Hij zal hem in de rots graveren: een verblijfplaats daarginds.

Er staat zoiets als: Shepma, hoe durf je hier te komen en je op deze heilige plaats te installeren? De contouren van de Antichrist/Satan worden al duidelijker, want van hem wordt gezegd dat hij zich als een god zal verheffen; Daniël 11:36-37 en 2 Thessalonicenzen 2:4 (HSV):

"de tegenstander (Satan en/of de Antichrist), die zich ook verheft boven al wat God genoemd of als God vereerd wordt, zodat hij als God in de tempel van God gaat zitten en zichzelf als God voordoet."

Hij hoort niet in de tempel! Het is God een gruwel (Mattheüs 24:15). Dan volgt een verrassende wending. Want God laat een graf uithakken om hem op te sluiten en verzegelt dat graf met een machtswoord (Hij zal hem in de rots graveren). Daarginds is een cryptische beschrijving van Sheol, de onderwereld. Plaatsen we deze profetie in zijn context, dan spreekt Jesaja dus over de dood van de Antichrist en de binding van Satan (Openbaring 20:1-3).

17 Zie, Jahweh zal u wegwerpen, een verworpen man (in de kracht van zijn leven) en u afschermen, ja geheel afschermen.

God grijpt in als Shepna (dus de Antichrist) op het toppunt van zijn macht is en neemt die hem af.

18 Hij zal u strak omwikkelen en ingewikkeld als een mummie naar een uitgestrekt land zenden (Sheol). Daar zult u sterven; daar zullen de wagens van uw glorie zijn; gij schande van het Huis (de tempel) van uw Heer (Jahweh).

Jesaja bedient zich van beeldspraak. Dat kan ook niet anders, want je kunt de Antichrist niet als een mens boeien. Hij is een satanisch wezen met grote krachten. Die worden hem afgenomen. Het woord mûwth (sterven) heeft betrekking op de lichamelijke en niet op de geestelijke dood. De lichamelijke dood wordt veroorzaakt door Jezus Christus (II Thessalonicenzen 2:8-10). De Antichrist en Satan verliezen dus hun gestalte en worden verbannen naar Sheol (dat is de onderwereld, in Openbaring 20:3 afgrond genoemd).

19 Ik zal u uit uw ambt zetten en Hij (Christus) zal u van uw positie verdrijven.

Het onderscheid tussen Satan en de Antichrist is – gezien de kenmerken in voorgaande verzen – gaandeweg vervaagd. Dat voedt de gedachte dat de Antichrist een mens zal zijn waar de geest van Satan in zal varen. Het is dus beter om nu alleen nog maar over Satan te spreken. In vers 19 wordt het mandaat van Satan, de overste van deze wereld, door Jahweh (Ik) beëindigd. Want de aarde is heden zijn leengoed (Johannes 12:31, 14:30 3n 16:11) en hij heeft er duizenden jaren over geregeerd. Uit de tekst blijkt dat het einde van het mandaat van Satan met geweld gepaard gaat (verdrijven). Het woord positie ziet op de hoge staat van Satan; al zijn glorie (vers 18b) wordt hem afgenomen. In plaats van Satan wordt Jezus Christus (Hij) de nieuwe stadhouder op aarde en Hij zal in Jeruzalem tot koning over het Messiaanse Rijk gekroond worden.

 

C. Een Vertaling in Geloof

De meeste verklaarders zien in Jesaja 20:15-25 een verward verslag van intriges aan het hof van koning Hizkia. Natuurlijk stellen zij ook vast dat deze profetie kop noch staart heeft, maar dan zeg je gewoon dat het een verminkte tekst is (zonder dat daarvoor enig bewijs geleverd wordt) en het probleem is opgelost (?). De andere optie wordt niet overwogen, want – indien zo – dan zou Jesaja de toekomst zien en dat wijzen vrijzinnige en seculiere verklaarders hooghartig af. Men gelooft nu eenmaal niet in de Raad Gods – het plan van Jahweh met de mensheid – en ook niet dat God zijn profeten een blik in de toekomst gunt. Maar, orthodoxe verklaarders dan, die zijn toch Bijbelgetrouw? Meestal wel, echter hier volgen zij de vrijzinnige theologie, want hun kerkelijke dogma’s zeggen dat er geen toekomstig heil voor het volk Israël mogelijk is. Vers 20 nu toont haarfijn het verschil tussen inlegkunde en gelovig lezen wat er staat. Daarom hebben we twee vertalingen gegeven die beide juist kunnen zijn als je de context niet meeneemt. In versie 20.1 is sprake van een gebeurtenis aan het hof van Hizkia die in het luchtledige hangt, want oorzaak, doel en betekenis van de profetie zijn vaag. In versie 20.2 echter is geen sprake meer van Eljakim en Hilkia als hoge hofbeambten, maar zijn die woorden gewoon vertaald en dan vallen de puzzelstukjes op zijn plaats. Dan blijkt het te gaan om de verhoogde Christus en past elk vers in een logisch lopende profetie. Toeval?... kom nou.

20.1 En het zal te dien dage geschieden, dat ik mijn dienaar Eljakim zal ontbieden, de zoon van Hilkia.
20.2 En het zal te dien dage geschieden, dat ik mijn dienaar – de verhoogde Godheid – zal ontbieden, de Zoon die met Jahweh verbonden is.

De profetie is aangekomen aan het einde van De Grote Verdrukking, die gevolgd wordt door het Interregnum; de periode van stilte als de oordelen stoppen, maar het Messiaanse Rijk nog niet is uitgeroepen. Dan ontbiedt God zijn Zoon, Jezus Christus. Hij arriveert op de Olijfberg (Zacharia 14:4; Handelingen 1:11), vergezeld door hemelse strijdkrachten (de heiligen; Zacharia 14:5c).

21 Dan zal Ik hem bekleden met uw gewaad, hem uw sjerp ombinden en de heerschappij over u zal Ik in zijn hand leggen. Hij zal als een vader voor de inwoners van Jeruzalem zijn en voor het huis van Juda.

In prachtige bewoordingen schetst Jesaja het grote moment, waarop Jezus tot koning over Israël en regeerder over de gehele wereld wordt uitgeroepen. De tekst verwijst tevens naar Jesaja 9:5 waar de goddelijke eigenschappen van de Messias worden beschreven. Met de heerschappij wordt de voormalige heerschappij van Satan bedoeld (vers 19).

22 Ik zal de sleutel van het huis van David op zijn schouder leggen. Wat Hij opent zal niemand sluiten en wat Hij sluit zal niemand openen. Ik zal Hem als een pin vastslaan in een vaste plaats.

Mocht er nog een spoor van twijfel overgebleven zijn over de identiteit van de persoon die hier beschreven is, dan wordt die door Openbaring 3:7 (HSV) weggenomen:

"Schrijf aan de engel van de gemeente in Filadelfia: Dit zegt de Heilige (Jezus), de Waarachtige, Die de sleutel van David heeft, Die opent en niemand sluit, en Hij sluit en niemand opent:"

23 En het zal geschieden dat Hij een zetel van glorie zal worden voor het huis van zijn Vader. Dan zullen zij Hem allen aanhangen.

Aldus wordt Jeruzalem de belangrijkste plaats op aarde en de tempel de centrale plaats, waar de gehele wereld Jahweh (zijn Vader) eer zal brengen. Het aanhangen ziet op de mensen die Jezus van harte zullen liefhebben, maar het heeft tevens de onderliggende betekenis van gehoorzamen.

24 Alles zal tot glorie van het Huis van zijn Vader zijn: Hoofdscheuten en zijtakken, al de kleine gebruiksvoorwerpen, het vaatwerk dat als bassin dient, tot alle instrumenten, zoals de lieren.

De hoofdscheuten zijn de twaalf stammen van Israël. De zijtakken (Romeinen 11:17-18) zijn de heidenen (niet-Joden) die tot geloof gekomen zijn. Ook zij nemen deel aan het heil.

 

D. Een Droeve Terugblik

Na alle vreugde van voorgaande verzen volgt een droeve terugblik (Jesaja kijkt vanuit de Eindtijd terug = Perfectum Propheticum). Want met vers 25 springt de profetie naar een ander tijdstip in de toekomst (hoewel die voor ons reeds verleden tijd is), namelijk de kruisdood van Jezus.

25 Eens – zo spreekt Jahweh van de Hemelse legers – : zal de pin bezwijken die op een vaste plaats werd ingeslagen. Hij zal afgehouwen worden en vallen en afgesneden worden van- wege de doem die op haar (Israël) rust, want Jahweh heeft gesproken.

De vaste plaats is Jeruzalem, de toekomstige residentie van Jezus in het Messiaanse Rijk. Toen Hij daar zijn intocht hield (Mattheüs 21:1-17; Marcus 11:1-11; Lucas 19:28-44; Johannes 12:12-19) was dat dan ook een voorafschaduwing van zijn toekomstige koningschap in het Messiaanse Rijk. Maar, de plaats waar Hij toen koning had moeten worden, werd de plaats van zijn Executie! Vers 25b spreekt van de doem die op haar (= Israël) rust. Dat is de geest van diepe slaap* (Jesaja 29:10; Romeinen 11:7-8; 2 Korintiërs 3:15-16) die God Israël oplegde. Die had afgewend kunnen worden, als de Joden Jezus als Messias aanvaard hadden. Want het aanbod – Bekeer u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen (Mattheüs 4:17) – was legitiem. Een droeve terugblik? Jazeker, want het had kunnen gebeuren; het Messiaanse Rijk was toen binnen handbereik.

* In Jesaja 25:7 (Grondtekst) verhullende sluier genoemd; Jesaja 6:10 Stop hun oren toe, sluit hun ogen.

 

E. Jesaja 23, Introductie

Dit hoofdstuk handelt over Tyrus, eens een belangrijke zeehaven ten noorden van Israël. Tyrus is het schoolvoorbeeld van succesvol kapitalisme zonder moraal. De stad was een marktplaats voor de belangrijkste goederenstromen in het gebied rond de Middellandse Zee en had overal in de toen bekende wereld versterkte nederzettingen en havens. Haar rijkdom was legendarisch. Tyrus werd bestuurd door een raad van kooplieden en een koning (die beperkte macht had). Alles stond in dienst van handel en winst en daaraan waren morele wetten ondergeschikt. De stad Tyrus bestond uit twee delen: Oud Tyrus, of Palætyrus, lag op het vaste land en Nieuw Tyrus op een eiland voor de kust. Nieuwe Tyrus had twee grote havens en daar woonden de rijke kooplieden. Zowel Assyrië als Babylon hebben meermalen geprobeerd Tyrus te veroveren. Dat lukte alleen met Oud Tyrus, maar de havenstad en de machtige vloot bleef onaantastbaar en die regeerde de zee. Wel slaagde Assyrië er in om Tyrus grote economische schade toe te brengen. Pas eeuwen later werd Tyrus door Alexander de Grote ook op zee verslagen. Hij liet vervolgens een dam naar het eiland aanleggen en verwoestte de stad grondig.

 

F. Oordeel over Tyrus, de Oude Tijd – Jesaja 23:1-18

Wat heeft de geschiedenis van een stad als Tyrus ons heden nog te zeggen? Weinig, tenminste als je heel Jesaja 23 als vervuld ziet, zoals veel verklaarders van mening zijn. Overigens wel vreemd, dat een stukje geschiedenis over een stad, die weinig of geen directe invloed op Juda uitoefende en nergens schijnt aan te sluiten op de profetie van Jesaja, in dit profetische boek is opgenomen. Dat wordt anders als we dieper graven, want vanaf vers 16 spreekt de profetie over de Eindtijd. De geschiedenis daarvoor dient slechts als platform; een aanloop tot. Want Tyrus staat in Jesaja 23 model voor het rijk van de Antichrist. Nu is het onnodig om elk van de verzen 1-15 te verklaren, de tekst spreekt grotendeels voor zich. We lichten er slechts één uit; vers 8-9.

8 Wie beraamde dit tegen Tyrus, die kronen toewijst, wiens kooplieden vorsten zijn en wiens handelaars op de gehele aarde geëerd worden?
9 Jahweh van de Hemelse legermachten besloot dit, om zo de trots van al die glorie te ontluisteren en te vernederen hen die geëerd worden over geheel de aarde.

Tyrus was zo rijk, dat het in veel landen bepaalde wie er koning mocht zijn. Haar handelsposten en vloot beheersten de goederenstromen over de Middellandse Zee. Overal ter wereld werden de kooplieden van Tyrus als vorsten geëerd. Vanuit menselijk oogpunt gezien werd Tyrus slachtoffer van de uitbreidingsdrift van Assyrië. Dat blijkt niet zo te zijn. De rampen die Tyrus overkomen blijken een oordeel van God en dat oordeel strekt zich uit tot in de Eindtijd; vers 16-18. De verzen 9-14 nu vormen daarin de overgang van de oude naar de nieuwe tijd. Ze zien op beide!

 

G. Oordeel over Tyrus, de Eindtijd – Jesaja 23:16-18

We komen nu bij een boeiend stukje profetie en die begint met vers 16.

16 In de dagen van de ene koning, aan het einde van zeventig jaar, zal het Tyrus vergaan als de hoer uit het liedje: Neem de harp op! Doorkruis de stad, lang vergeten hoer. Beroer de snaren met vuur. Vermenigvuldig uw lied, opdat de aandacht op u gevestigd zal worden.

Dit vers lijkt zonder zin, want wie is nu geïnteresseerd in een liedje (vers 16b) dat aan het einde van de zeventig jaar wellicht in Tyrus werd gezongen (wat op zich ook nog ongeloofwaardig is, want het liedje heeft een weinig vleiende inhoud en zo ruimdenkend waren de regeerders van Tyrus niet). Die zin ontstaat pas indien we verstaan dat er Eindtijdprofetie staat geschreven. Wel is de profetie wat versluierd, want in eerste instantie denk je toch dat zeventig jaar op de periode ziet waarin Tyrus sterk verzwakt was door oorlogen met Assyrië. De details in de verzen 16-18 maken echter duidelijk dat op de Eindtijd gedoeld wordt. Maar hoe moeten we dan die zeventig jaar van vers 16 in de tijd plaatsen? Wel, dat is een andere periode dan de zeventig jaar van vers 15. Want met de woorden – In de dagen van de ene koning – springt Jesaja naar de Eindtijd. Daarin wijst – aan het einde van zeventig jaar – op de profetie van de 70 jaarweken (Daniël 9:24-27). Dat is een periode van 483 jaar (te weten: 69 x 7 = 483), die uitloopt op de intocht van Jezus Christus in Jeruzalem. Die 483 jaar zijn nu dus vervuld! Na de dood van Jezus valt er een gat van vele eeuwen. Dat is het tijdperk van de Gemeente van Christus. Als de Gemeente in de hemel wordt opgenomen, wordt Daniel’s profetie voorgezet. Dan begint de laatste, nog ontbrekende jaarweek (70 - 69 = 1); dat is De Grote Verdrukking en die eindigt na zeven jaar (kort daarna wordt het Messiaanse Rijk gevestigd). Jesaja 9:18 nu spreekt over dat einde. De ene koning (vers 16) is een unieke koning. Een koning, waarvan er maar één zal zijn. Dat is de Antichrist; een engel uit de afgrond (Openbaring 9:11). De stad is niet Tyrus, maar Jeruzalem. De uitdrukking lang vergeten hoer ziet op de vele eeuwen tussen de ondergang van Tyrus en de opkomst van de Antichrist (dus geen gewone zeventig jaar, want dat is veel tekort om een zo machtige stad als Tyrus te vergeten). De Antichrist zal in de Eindtijd een verbond sluiten met de Joden en zijn zetel naar Jeruzalem verplaatsen. Hij zal het volk Israël in Jeruzalem dus het hof maken (beroer de snaren met vuur - opdat de aandacht op u gevestigd zal worden) en de regeerders van het volk Israël in de Eindtijd verleiden hem als hun Messias te aanvaarden.

17 Maar het zal geschieden, op het einde van de zeventig jaren, dat Jahweh zijn aandacht op het wezen van Tyrus zal vestigen. Want Tyrus zal terugkeren tot haar loon en zij zal met elk aards koninkrijk over de gehele wereld hoereren.

Het wezen van Tyrus is de geest van Tyrus; de geest van de macht van het kapitaal. Dat is de geest van de Antichrist die het economisch systeem van de gehele wereld onder zijn controle zal krijgen (elk aards koninkrijk). Openbaring 13:16-18 spreekt daarover.

18 Ook zal het geschieden dat haar winst en inkomen heilig zal zijn voor Jahweh. Zij zullen niet worden opgeslagen, noch worden opgepot. Want haar verdienste zal toevallen aan hen, die voor het aangezicht van Jahweh wonen; voor een overvloed aan voedsel en voor kostbare kleding.

Tyrus staat in de Bijbel model voor de macht van het kapitaal. Die macht komt tijdens De Grote Verdrukking in handen van de Antichrist die dan het wereldkapitaalverkeer onder zijn controle zal krijgen (Openbaring 13:14-17). Het lijkt er sterk op dat dit wereldwijde banksysteem, na de ondergang van de Antichrist, ten dienste wordt gesteld aan de regering in Jeruzalem, waar God dan weer woont. Dat zal ook nodig zijn, want de taak van het volk Israël tijdens het Messiaanse Rijk zal zo veelomvattend zijn dat het niet in staat is om zelf voldoende kleding en voedsel te produceren. Dus wordt dat door andere volken geleverd. Tyrus staat daarin model voor een vorm van kapitaal- en/of goederenbelasting die ten goede komt aan de regering in Jeruzalem.

 

Copyright: Gert A. van de Weerd; PMI Boeken BV.

Terug naar overzicht
Aflevering 9: Verzadigd van eigen kracht