Aflevering 7: De roep van de Messias

vrijdag 16 februari

A. Jesaja 16, Introductie

Jesaja 16 opent met een bede om hulp tot het Lam en dat is Jezus Christus, de Messias.

 

B. De Roep van de Messias – Jesaja 16:1-5

1 Zend hen uit, gij Lam, heerser van de aarde, vanuit Sela door de woestijn heen naar de berg van de dochter van Sion.

Belangrijke vraag is: Wie gaat het Lam uitzenden? En: Wie worden met hen bedoeld? Wellicht geeft Habakuk 3:3 (HSV) ons daar antwoord op. Daar staat geschreven:

"God* komt uit Teman, de Heilige komt uit de bergen van Paran A). sela. Zijn glorie straalt aan de hemel, de aarde is vol van zijn roem."

Dit is geen goede vertaling. ?lôwahh (God*) betekent godheid. Dat kan een afgod zijn, Jahweh, of Christus, zoals hier. Selah kan een muziekterm zijn, maar ook te Sela betekenen, een plaats die in de bergen van Paran lag en ook wel Petra genoemd wordt. De grondtekst zegt dus:

"De godheid (de Messias) komt uit de bergen van Paran A), van Sela. Zijn glorie straalt aan de hemel, de aarde is vol van zijn roem."

De profetie van Habakuk en Jesaja 16:1 wordt aangevuld in Jesaja 63:1 (HSV). Daar staat:

"Wie is Deze (de Messias) Die uit Edom komt, in helrode kleding uit Bozra B), Die luisterrijk is in Zijn gewaad, Die voorttrekt in Zijn grote kracht? Ik ben het, Die spreek in gerechtigheid, Die machtig ben om te verlossen." 

A) De bergen van Paran (en Petra) liggen ten zuidoosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.
B) Bozra was de oude hoofdstad van Edom en lag aan de weg van Jeruzalem naar Petra. Dat is de weg, waarover het overblijfsel van Israël zal terugkeren. Anderen zeggen, dat Petra eens Bozra heette.

2 Dan zal het geschieden: zoals vogels ronddwalen, waarvan het nest verstoord is, zo zal het de dochters van Moab vergaan bij de doorwaadbare plaatsen van de Arnon.

De dochters van Moab typeren de bewoners van Moab in De Grote Verdrukking. Ze zijn op de vlucht; wellicht voor de vreselijke rampen van de oordelen Gods of de dreiging van oorlog.

3 Verschaf raad! Grijp in! Maak uw schaduw op het midden van de dag aan de nacht gelijk. Verberg de verdrevene en verraad de ontheemde niet.

Vers 3 spreekt van de vlucht van wetgetrouwe Joden naar Petra (Mattheüs 24:15-20), nadat de Antichrist zich heeft verheven tot god. Het is een dringende oproep aan het Lam (vers 11) om hulp te zenden, om de vluchtelingen (verdrevenen en ontheemden) bij te staan.

4 Laat hen, die omwille van Mij verdreven werden, bij u verblijven. Moab, wees een toevlucht voor hen voor het aangezicht van de verderver. Want de verdrukking zal eindigen; het geweld zal stoppen. Hij die vertrapt zal zijn einde vinden op de aarde.

Moab wordt opgeroepen om de gevluchte Joden onderdak te geven. Die vinden ze in de stad Petra – dat een toevluchtsoord zal zijn voor het gelovig overblijfsel van Israël. Vers 4 spreekt over hen die omwille van Mij (God) verdreven werden. De profetie is heel gedetailleerd, want ze spreekt van de verderver (de Antichrist), zijn geweld en van De Grote Verdrukking. Ook wordt het einde van de Antichrist voorzegd (Hij die vertrapt - 2 Thessalonicenzen 2:8).

5 Dan zal in liefdevolle genade een troon gevestigd worden en in de tent van David zal daarop in getrouwheid een richter plaatsnemen. Hij zal het rechtmatig oordeel zoeken en zich beijveren om rechtvaardigheid te verschaffen.

Jesaja spreekt over het Messiaanse Rijk en de troon van David die aan Jezus gegeven wordt en daar zal Hij als richter (of: rechter) heersen. De tent van David is Zijn woonplaats in Jeruzalem. De tekst spreekt van liefdevolle genade, getrouwheid, rechtmatig oordeel en zich beijveren om rechtvaardigheid. Het is een typerende persoonsbeschrijving van de Messias, zoals in Jesaja 9:5.

Jesaja 16:6-14 De Ondergang van Moab 

Deze verzen zijn vervuld in de oude tijd en van gering belang. We slaan ze daarom over.

 

C. Jesaja 17, Introductie

Jesaja opent met de ondergang van Damascus en Syrië en dat wordt algemeen als vervuld gezien. Maar, Damascus werd niet vernietigd door Assyrië of Babylon. Het speelde een belangrijke rol in beide rijken en kende nog vele periodes van bloei tot op de huidige dag. De profetie kan dus niet op de oude tijd wijzen. Blijft over dat over de toekomst gesproken wordt; de Eindtijd.

 

D. Het Messiaanse Rijk Gereedgemaakt – Jesaja 17:1-11

Damascus vertegenwoordigt het gebied van het Syrische Rijk, zoals dat er in de Eindtijd zal uitzien en voor zover dit binnen het Messiaanse Rijk valt. Dat gebied zal ontvolkt raken en zo wordt plaatsgemaakt voor de stammen van Israël die daar in de Eindtijd een woonplaats krijgen toegewezen. In Ezechiël 48 wordt de indeling van dat toekomstige Israël gegeven en daaruit blijkt, dat het gebied van Damascus aan Dan, Aser en Naftali wordt gegeven (Ezechiël 48:1-3).

1 De doem van Damascus. Zie, Damascus zal niet langer een stad zijn en tot een puinhoop vervallen.
2 De steden van Aroër zullen verlaten worden. Zij zullen de kudden toebehoren en die zullen daar neerliggen. Niemand zal hen verstoren.

Aroër is een stad die bij Rabbah-Ammon lag. Jesaja beschrijft een gebied dat Karnaïm heet, ten noordoosten van de bovenloop van de Jordaan, dat toen bij Syrië hoorde. Nooit raakte die streek ontvolkt. Dat gebeurt pas in de Eindtijd. Jesaja schetst de toestand aan het einde van De Grote Verdrukking, als Karnaïm door de oordelen Gods en de oorlogen van de Antichrist ontvolkt is geraakt. Zo wordt ook dat land gereed gemaakt om door het ware Israël bevolkt te worden.

3 Dan zal Efraïm zijn verdedigingswerken verliezen en Damascus zijn Koninklijke soevereiniteit. Wat nog resteert van Aram zal het vergaan als de glorie van de kinderen van Israël; zo spreekt Jahweh van de hemelse legers.
4 Te dien dage zal het geschieden dat de glorie van Jakob zal afnemen en het vet van zijn lichaam zal wegteren.
5 En het zal geschieden, als de maaier de oogst van het staande graan verzamelt en hij met zijn arm de aren oogst, dat het zal zijn alsof iemand aren leest in de vallei van Refaïm
6 en daarin geoogste aren worden achtergelaten; evenals bij het schudden van de olijfboom twee of drie olijven aan de verste toppen (achtergelaten worden), of vier of vijf (olijven) aan haar rijk dragende takken; zo spreekt Jahweh, de God van Israël.

De verzen 3-6 spreken wel van de oude tijd, maar hebben ook een algemene betekenis die zich tot in onze tijd uitstrekt en daarna. De strekking is weer dat de streek (die binnen het Messiaanse Rijk valt) in de Eindtijd ontvolkt zal worden. Slechts enkele olijven (= mensen) blijven nog over. Ook vers 7-9 is niet in de oudheid te plaatsen, maar spreekt onmiskenbaar over de Eindtijd.

7 Te dien dage zal de mens de blik vestigen op zijn maker en zijn ogen zullen naar de Heilige van Israël opzien.

De grondtekst spreekt van ha-’âdâm, de mens, die opziet naar God. Dat is een opzien in hoop en vrees. Want voor de één komt Jezus als Verlosser, voor de ander als rechter.

8 Niet langer zal hij de blik richten op de altaren, die het werk van zijn handen zijn. Ja, wat zijn vingers maakten zal zijn aandacht niet meer trekken, noch de Asjerahpalen, noch de wierook- branders.

Alle afgoderij wordt uit de wereld gebannen. Ook dat geeft aan dat Jesaja over de Eindtijd spreekt. 

9 Te dien dage zullen hun sterke steden zoals de verlaten plaatsen van de Hevieten en de Amo- rieten worden die zij verlieten vanwege de kinderen van Israël, want zij zullen verwoest worden.

De Hevieten woonden bij de Hermon en in Zuid Libanon. De Amorieten oostelijk van de Jordaan. Al deze gebieden liggen buiten het huidige Israël, maar vormen de randgebieden noord en oost van het Messiaanse Rijk. Ze zullen verwoest worden en verlaten. De profetie spreekt dus steeds van gebeurtenissen die het land gereed maken voor de komst van de kinderen van Israël.

10 Want u verzaakte de God van uw heil en de rots van uw sterkte; u hield daar geen rekening mee. Daarom, alhoewel u de planting van uw welbehagen plant en vreemde stekken uitzet;
11 ze omheint, ten dage dat u ze plant en op een morgen wat u gepoot hebt, uitloopt; toch zal de oogst op een hoop gegooid worden op de dag van bederf en pijn, die tot wanhoop drijft.

De volken rond Israël zullen in de Eindtijd massaal de zijde van de Antichrist kiezen, evenals een deel van de Joden. Zij kiezen daarmee voor Satan en dat leidt tot hun ondergang. Jesaja schildert hun gedrag in dichterlijke termen. Ondanks de oordelen Gods gaan zij door op de ingeslagen weg; weigeren zij zich te bekeren en Jahweh eer te geven. Al hun moeite is vergeefs, want de dag van verderf en pijn die tot wanhoop drijft is aanstaande. Openbaring 9:1-12 spreekt daarover.

 

E. Het woeden van de Volken – Jesaja 17:12-14

De tekst handelt over het einde van De Grote Verdrukking; over een laatste uitbarsting van haat tegen God en Israël. Satan zal een groot leger op de been brengen (Gog uit Magog) en optrekken tegen Jeruzalem. God zal zelf ingrijpen en dat leger met De Plaag vernietigen (Zacharia 14:12-13).

12 Wee het rumoer van de verbonden volken. Zij woeden gelijk een ziedende zee. Ja het tumult van de verzamelde volken is als het bulderen van kolkende watermassa’s.
13 De verzamelde volken gaan woest tekeer, gelijk het bulderen van neerstortende wateren. Wanneer Hij hen bestraft, dan vluchten zij ver weg en worden zij voortgedreven vóór de wind als kaf op de bergen en gelijk tuimelkruid door een storm.

Kan een profeet nog duidelijker spreken? Het ingrijpen van Jahweh is geen treffen tussen gelijk- waardige vijanden. Het is de Hoogheilige in zijn onmetelijke kracht die ingrijpt.

14 Als de avond valt, zie toch: terreur! Bij het aanbreken van de dag zijn ze verdwenen. Buit is het doel van hen die ons beroven en het aandeel van hen die ons uitplunderen. Aan het einde van De Grote Verdrukking zal grote chaos op aarde ontstaan. Van enige orde is dan geen sprake meer. Mensen beroven elkaar om eerste levensbehoeften te kunnen bemachtigen.

Jesaja 18:1 Wee het land van de oevergebieden, dat langs de rivieren van Cush ligt.

De profetie van Jesaja 17 sluit met een wonderlijke mededeling. De rivieren van Cush (of Nubië) zijn de Witte- en de Blauwe Nijl. De landen die daar liggen, zijn Egypte en Soedan en die danken hun bestaan aan het water van de Nijl. Zonder dat water zou Egypte onderdeel van de Sahara zijn en dus vrijwel onbewoond, evenals een groot deel van Soedan. De profeten voorzeggen echter, dat de Nijl afgesneden zal worden door een enorme aardbeving, waardoor de loop van de Nijl zal veranderen. Als gevolg zullen de oevergebieden langs de Nijl uitdrogen.

F. Jesaja 18, Introductie

In Jesaja 18 wordt ons een blik gegund in een belangrijke episode van de toekomstige wereld- geschiedenis. God maakt een eind aan De Grote Verdrukking en besluit zelf naar de aarde te komen. Dat is tevens het begin van de Christusregering in Jeruzalem.

 

G. Het Volk Israël teruggeroepen – Jesaja 18:1-7

2 Er worden gezanten over zee gezonden met hun documenten van papyrus, boven het opper- vlak van de wateren. Ga! gij snelle boodschappers, tot een heidenvolk dat trekt en eigenzinnig is; tot een volk dat van dan af aan gevreesd zal worden; een heidenvolk dat voorschrift op voorschrift stapelde en onderdrukt werd. Hij, Die de grote rivieren van zijn aarde doorklieft.

De gezanten worden gezonden om de Israëlieten terug te roepen. Dat gebeurt in opdracht van God. De plaats, waarvandaan de gezanten vertrekken wordt niet genoemd, maar dat is natuurlijk Jeruzalem, waar Jezus dan regeert. Israël betekent: strijder Gods, maar als deze uitroep uitgaat is het die naam niet waardig. Daarom wordt het volk niet bij name genoemd. De kenmerken zijn:

G1 Het is een heidenvolk (Hebreeuws gôy; vers 2a).
G2 Echter, even later wordt datzelfde volk ‘am genoemd. Dat is een volk dat een relatie heeft met…? Met God natuurlijk, want Die spreekt hier. Dus profeteert de tekst over het volk Israël, echter in onbekeerde staat, want het wordt tevens een heidenvolk genoemd.
G3 Van dit volk wordt gezegd, dat het trekt of ronddoolt. – Hét kenmerk van de Joden.
G4 Het wordt eigenzinnig genoemd. – De Israëlieten zijn altijd ‘anders’ geweest.
G5 Zij stapelden voorschrift op voorschrift. De tekst verwijst naar de mondelinge Thora en de vele interpretaties van de wet, zoals de Joden die praktiseren.
G6 Zij werden onderdrukt (of vervolgd) – weer een kenmerk van de Israëlieten.
G7 Zij zullen van dan af aan gevreesd worden. Klopt precies, want als de 12 stammen terugkeren naar Kanaän, wordt Israël het belangrijkste volk op aarde en Jezus Christus hun koning.

Waarom doorklieft God de rivieren? Omdat de aarde na de oordelen een chaos zal zijn. Er bestaat dan geen openbaar vervoer meer, noch behoorlijke wegen. Het volk Israël moet dus te voet terug- keren. Dat kan ook, want God legt de rivieren, die hen de weg versperren, droog.

3 Gij inwoners van de gehele wereld, ja, gij die de aarde bewoont (hoor toe): Wanneer een banier opgericht wordt op de bergen, zult u het opmerken en vanwege het klinken van de bazuin zult u het horen.

De Godspraak richt zich nu tot de gehele wereld; tot een ieder die de aarde bewoont. Er zal een banier opgericht worden op de bergen. Dat zijn de bergen rond Jeruzalem. Die banier is het zichtbare teken van Jezus’ koningschap over de wereld. Openbaring 11:15 bevestigt dat.

4 Want aldus heeft Jahweh tot mij gesproken: Ik zal stil blijven en toezien vanuit mijn woon- plaats; gelijk de zinderende hitte van de zonneschijn, gelijk een wolk van dauw in de hitte van de oogsttijd.

Nadat God zijn oordelen over de wereld heeft uitgestort – de finale afrekening met zijn vijanden – en de legers, die Jeruzalem bedreigen, zijn vernietigd, wordt het stil. Geen plagen meer, geen aardbevingen; de drinkbeker van Zijn toorn is leeg. God houdt zich stil, het Interregnum breekt aan. Hij laat het initiatief over aan Jezus Christus, de nieuwe koning en heerser van de wereld.

5 Want in het zicht van de oogst, als de knoppen voldragen zijn en uit een bloem de zure druiven ontstaan, dan zal Hij de woekerende ranken afsnijden met snoeimessen en de verwilderde uitlopers wegnemen door hen weg te kappen.

Jesaja gebruikt voorbeelden uit het dagelijks leven. Het is bijna oogsttijd (= de oogst van Gods kinderen). De wijngaard (het volk Israël) moet nu gesnoeid worden, opdat er een goede oogst zal zijn (ware gelovigen die het Messiaanse Rijk mogen binnengaan). Ranken die geen vrucht dragen en valse loten moeten worden weggesneden. Daarmee worden de kwaadwilligen van Israël bedoeld die zich verbonden hebben met de Antichrist en Gods vijanden zijn. De meeste zullen aan het einde van De Grote Verdrukking de dood vinden. Zacharia 13:7-9 spreekt daarover.

6 Zij zullen tezamen overgelaten worden aan de roofvogels uit de bergen en de dieren van het land; de roofvogel zal de zomer daarop doorbrengen en de dieren van het land zullen de winter daarop doorbrengen.

Het lijkt erop dat de lijken van de vijanden van God niet begraven worden. Dat is wellicht geen bewuste keuze. De toestand van de wereld op dat moment zal algemene chaos zijn, dus werken openbare diensten niet meer. In Kanaän is de situatie nog erger, want daar liggen de lijken van de grote slag om Jeruzalem, Armageddon; van het leger van Gog uit Magog dat door de Plaag is vernietigd. Ezechiël 39:11-13 zegt dat de Israëlieten liefst zeven maanden bezig zullen zijn om de vele lijken te begraven. Tegen die achtergrond krijgt vers 6 scherpere contouren.

7 Te dien tijde zal aan Jahweh van de hemelse legers een geschenk gebracht worden: Een volk dat trekt en eigenzinnig is, een volk dat van dan af aan gevreesd zal worden, een heidenvolk dat voorschrift op voorschrift stapelde en onderdrukt werd; Hij, die de grote rivieren van zijn aarde doorklieft; zijn Naam is Jahweh van de hemelse legers op de berg Sion.

Het geschenk dat God gebracht wordt, is een bekeerd Israël. Want dat is de boodschap van vers 7. De subtiele verschillen met vers 2 geven het aan. Werd in vers 2 nog van een heidenvolk (gôy) gesproken. Hier wordt het woord ‘am gebruikt. Het duidt op een volk dat een relatie met Jahweh heeft en geen heidenvolk meer is, maar een bekeerd volk. De naam heidenvolk klinkt alleen nog maar, als het verleden ter sprake komt, ter identificatie. Werden in vers 2 nog gezanten over de gehele wereld gezonden om Gods volk bijeen te roepen, hier zijn de stammen van Israël reeds aangekomen en worden zij God aangeboden om weer Zijn volk te worden. Maar… wie biedt hen dan aan? De Messias, Jezus Christus, natuurlijk. Want Hij wordt hun koning. De profetie sluit met een officiële bekrachtiging door de Hoogheilige God.

 

Copyright: Gert A. van de Weerd; PMI Boeken BV.

Terug naar overzicht
Aflevering 7: De roep van de Messias