Aflevering 5: Vrede en gerechtigheid door de telg van Isaï

vrijdag 02 februari

A. Jesaja 10, Introductie

Dit hoofdstuk bestaat uit drie delen. Vers 1-19 spreekt over het oordeel over Juda en Assyrië. Met vers 20-27 springt Jesaja weer naar de Eindtijd en wordt over de terugkeer van Israël gesproken.

 

B. Wee over de Corrupte Regeerders – Jesaja 10:1-4

Jesaja 10 opent met oordeelsprofetie. Die is niet alleen gericht tot Juda, maar tot geheel Israël.

1 Wee hen, die onrechtvaardige wetten uitvaardigen en zij die dwangarbeid voorschrijven.
2 Die het recht van de armen verkracht en de verdrukten van mijn volk een rechtvaardig oordeel onthoudt, ten einde weduwen tot hun prooi te maken en wezen te bestelen. 3 En wat zult u doen op de dag van bezoeking, als dan de verwoestende storm van verre binnendringt? Tot wie zult u vluchten om hulp en waar zult u uw rijkdom achterlaten?
4 Er blijft niets over dan diep door het stof te gaan, in plaats van gevangen te worden, of met hen die afgeslacht worden neer te vallen. Toch, vanwege dit alles wordt zijn toorn niet afgewend; zijn hand blijft opgeheven.

Deze tekst kan zowel op de Syro-Efraïmitische oorlog zien, de aanval van Assyrië op Israël, als op de rooftocht van het Assyrische leger in Juda. Het is een samenvatting van de oordelen over Israël en Juda die tot de breuk in het Sinaïtische verbond leidden. Daarom is Gods bescherming, die ze nog in zekere mate genoten, opgeheven en heeft de vijand (daartoe aangezet door Satan) vrij spel. Jesaja spreekt van een permanente situatie. Daarom eindigt vers 4 met:

"Toch, vanwege dit alles wordt zijn toorn niet afgewend; zijn hand blijft opgeheven."

 

C. Wee over Assyrië – Jesaja 10:5-16

5 Wee Assyrië, de gesel van mijn woede. Hij heeft de stok van mijn wraak in zijn hand.
6 Ik zend hem tegen een goddeloze natie; tegen een volk dat mij tergt stuur Ik hem. Om buit te bemachtigen en te plunderen en het te doen vertrappen als modder in de straten.
7 Maar zelf is hij dat niet van plan en diep in zijn hart denkt hij niet zo. Want in zijn hart wil hij wegvagen en de naties in meerdere stukken opdelen.
8 Want hij zegt: Zijn mijn vorsten niet allemaal koningen?

Assyrië voerde het oordeel van God uit. Toch wordt over dat volk het wee, dus het oordeel uitgesproken. Dat is heel verrassend, maar uit 7-14 blijkt waarom. De Assyrische koning is in zijn veroveringszucht veel te ver gegaan. Tiglatpileser wil een einde maken aan Israël en Juda als zelfstandige staten. Hij wil de veroverde landen verdelen onder zijn vorsten, zodat die daar als koningen in zijn naam kunnen heersen.

 

D. De Tempel Verbrand; het land Kanaän verwoest – Jesaja 10:17-19

17 Het Licht van Israël zal tot een vuurbrand worden, ja hun Heiligdom zal in vlammen opgaan. Dan zal een brand woeden en dat zal doorn en distel verteren, op één enkele dag.

Het Heiligdom (de tempel) zal in vlammen opgaan. Dat gebeurde in 586 v.Chr. (146 jaar later), door de Babyloniërs. De doorn en distel duiden kwaadwilligen van het volk, als in Jesaja 27:4.

18 De luister van zijn wouden en vruchtbare landstreken, elk levend wezen en elk lichaam zal het doen vergaan. Ja het zal zijn alsof een uitgemergelde zieke wegteert.
19 Wat nog resteert van de bomen van het woud zal een getal zijn, dat een kind zou kunnen opschrijven.

De enkele dag is de dag waarop Jeruzalem viel en door koning Nebukadnezar met vuur verbrand werd. De tekst spreekt in rauwe termen die weinig te raden overlaten. Het beschrijft het einde van een Godsrijk dat eens de wereld verbaasde door zijn grootheid (onder koning David en Salomo). Een schamel restant van de bevolking bleef over; een getal dat een kind zou kunnen opschrijven.

 

E. Profetie over Toekomstig Heil – Jesaja 10:20-27

Jesaja springt nu naar de Eindtijd. Velen ontkennen dat, maar we onderbouwen het als volgt:

1. De profetie opent met: te dien dage, een uitdrukking die vaak Eindtijdprofetie inleidt.
2. De Israëlieten zullen in oprechtheid op Jahweh zullen steunen (20) en: Wat resteert zal terugkeren tot de machtige God (21). Dat veronderstelt een bekering, wat nooit gebeurd is.
3. Vers 22 spreekt van: Tot de voltooiing is besloten, overvloeiende van rechtvaardigheid. Ook dat is Eindtijdtaal die verwijst naar de Messias en het toekomstige Messiaanse Rijk.
4. Vers 23 zegt dat de Heer (Jahweh) besloten heeft zijn werk te voltooien. Dat kan niet anders als het einddoel van de Raad Gods zijn; de stichting van het Messiaanse Rijk.
5. De toorn van God tegen Israël (vers 25) heeft heden nog geen einde genomen. Dat gebeurt pas als Israël zich bekeert en Jezus aanneemt als zijn verlosser; in de Eindtijd dus.
6. Vers 26 spreekt van een totale victorie over Israëls vijanden. Dat heeft nooit plaatsgevonden.
7. Israël en de Joden zijn altijd en overal vervolgd. Daar komt een einde aan. Hun juk wordt afgenomen in tegenwoordigheid van de gezalfde; dat is de Messias (vers 27).

Conclusie: Jesaja spreekt over de Eindtijd als Jezus wederkomt en zijn voeten op de Olijfberg zet (Zacharia 14:4), om Israël te verlossen en de gehele aarde onder zijn regering te brengen.

20 En het zal geschieden, te dien dage, dat wat resteert van Israël en de overlevenden van Jakob niet langer zullen steunen op degene die hen neersloeg, maar in oprechtheid op Jahweh zullen steunen, de Heilige van Israël.

Het volk Israël heeft, als Jezus wederkomt, De Grote Verdrukking reeds ondergaan. In die zeven jaren zullen velen de Antichrist volgen, omdat zij geloven dat hij de Messias is. De oorlogen en verschrikkelijke rampen, waar ook de Openbaring over spreekt, zullen dan een zware tol eisen, vandaar dat van overlevenden wordt gesproken. Degene die hen neersloeg is natuurlijk de Antichrist. De tekst spreekt van een bekeerd volk (maar in oprechtheid op Jahweh zullen steunen).

21 Een restant zal terugkeren, het restant van Jakob, tot de machtige God.
22 Want hoewel uw volk Israël als het zand van de zee is, zal wat van hen resteert terugkeren. Tot de voltooiing is besloten, overvloeiende van rechtvaardigheid.

Slechts een restant zal terugkeren en waardig zijn het Messiaanse Rijk te beërven. De voltooiing van Gods Raad staat vast. Er komt een gezegend tijdperk overvloeiende van rechtvaardigheid.

23 Want de Heer heeft besloten om (zijn werk) te voltooien, Jahweh van de hemelse legers, die het uitvoert in het midden van de gehele aarde.
24 Daarom, zo spreekt de Heer, Jahweh van de hemelse legers: Wees niet bevreesd voor de Assyriër, o mijn volk, dat in Sion woont, die u met de roede slaat en zijn stok opheft tegen u, zoals eens Egypte deed.

Deze profetie klinkt niet tot Israël in Jesaja’s tijd. Toen was er wel degelijk reden om de Assyriër te vrezen. De profetie ziet op Sion aan het einde van De Grote Verdrukking, als God zijn volk te hulp schiet. Assyrië (of: Assur) duidt in die context op de Antichrist en op Gog uit Magog.

25 Want nog een korte tijd, dan zal mijn furieuze woede een einde nemen en mijn wraak op hún vernietiging gericht worden.

Die korte tijd is de 2e helft van De Grote Verdrukking, als de oordelen Gods (furieuze woede) over de wereld gaan en Hij zijn vijanden vernietigt (hún vernietiging).

26 Dan zal Jahweh van de hemelse legers hem met een zweep slaan, zoals Hij Midian neersloeg bij de rots van Oreb. Zijn staf zal tegen het grote water zijn en Hij zal hem opheffen zoals Hij eens in Egypte deed.

De redding van Israël geschiedt door grote wonderen, zoals in de oorlog tegen Midian (Richteren 7 en 8). Ook Zacharia 14:13 spreekt daarover. De profetieën lijken op elkaar. In beide gevallen is sprake van een door God bewerkte paniek, waardoor de vijandelijke soldaten elkaar afslachten.

27 En het zal geschieden, te dien dage, dat de last op uw schouders zal worden opgeheven en het juk van uw nek zal worden afgenomen in tegenwoordigheid van de gezalfde.

Joden worden al eeuwen vervolgd, vooral in ‘christelijke’ gebieden. Dat is de prijs die betaald wordt om Gods volk te zijn dat de Messias voortbracht, want dat heeft de niet aflatende woede van Satan gewekt. En succes heeft hij. De geschiedenis getuigt steeds weer van Jodenvervolging, met als dieptepunt de Holocaust. Het is verontrustend dat het antisemitisme nu overal ter wereld weer de kop opsteekt. Dat is een teken, dat de Eindtijd nadert. Pas als de Messias (gezalfde) komt zal deze last worden afgenomen en zal Israël zijn gerechte plaats als Gods volk mogen innemen.

 

F. Jesaja 11, Introductie

Deze profetie spreekt over het Messiaanse Rijk en de terugkeer van de Israëlieten naar Kanaän.

 

G. De Messias en zijn Koninkrijk van de Vrede– Jesaja 11:1-10

1 Er zal een Telg opschieten uit de stronk van Isaï, ja een groen twijgje uit zijn wortels zal vrucht dragen.

De Telg is Jezus Christus, de Messias, dat maakt Jesaja 11 wel duidelijk. De stronk van Isaï is zijn geslacht, zoals ook beschreven in Jesaja 6:13. Deze stronk wordt daar heilig zaad genoemd.

2 En de Geest van Jahweh zal op Hem rusten; de Geest van wijsheid en inzicht; de Geest van Raad en macht; de Geest van kennis en diep ontzag voor Jahweh.

Jezus wordt grote gaven geschonken, omdat de Geest van Jahweh op Hem rust. De Raad is de Raad Gods (als in Jesaja 14:26 en 28:29). Jezus ontvangt inzicht in het plan van God met de mens en is daarom als enige in staat om die maatregelen te nemen, die voor de uitvoering van Gods Raad nodig zijn. Het woord macht staat daarin voor een sterke regering, die eerlijke wetten zal uitvaardigen en die ook zal laten uitvoeren. En dankzij de Geest van kennis put de Messias uit een nooit opdrogende bron, die van zijn Vader. Dat is een kennis, waardoor Hij kan bevatten wie Jahweh eigenlijk is. En wie de hoogten en diepten van Gods Geest mag aanschouwen ziet daar gerechtigheid en trouw en kan niet anders als diep ontzag voor Hem krijgen.

3 Hij zal de Geest van ontzag voor Jahweh verspreiden, want Hij zal niet rechtspreken naar wat zijn ogen zien en besluiten nemen naar wat zijn oren horen.

De Messias zal Gods Recht vestigen. Dat recht kan niet functioneren op vluchtig bewijs, dus wat ogen zien, of van horen zeggen. Dat verdient waarheidsvinding van de hoogste orde.

4 Hij zal naar billijkheid rechtspreken over de armen en het beslechten van geschillen toegankelijk maken voor de zachtmoedigen van het land. Hij zal de aarde tuchtigen met de roede van zijn mond en met de adem van zijn lippen zal Hij de verdorvene doden.

Wat een belofte. God spreekt niet over wreed recht, maar recht naar billijkheid; naar vermogen. De verdorvene is de Antichrist, in II Thessalonicenzen 2:8-10 (HSV) wetteloze genoemd:

"Dan zal de wetteloze geopenbaard worden. De Heere (Jezus) zal hem verteren door de Geest van Zijn mond en hem tenietdoen door de verschijning bij Zijn komst; hem, wiens komst overeenkomstig de werking van de satan is, met allerlei kracht, tekenen en wonderen van de leugen."

6 Dan zal een wolf bij een lam verblijven. Een luipaard zal zich neerleggen naast een jong geitje. Een kalf, een leeuw en een mestdier zullen samen zijn en een kleine jongen zal ze hoeden.
7 Een koe en een beer zullen samen grazen, hun jongen zullen samen neerliggen en de leeuw zal stro eten als het rund.
8 Een zuigeling zal bij het hol van een cobra spelen en een peuter zal zijn hand in het nest van een adder steken.

De profetie beschrijft een wereld, die ons vreemd is. Een gezegende aarde, waar mens en dier elkaar niet meer naar het leven staan; de Hof van Eden, want – inderdaad – die tijd komt terug.

10 En het zal te dien dage geschieden dat de Wortel van Isaï als een banier voor de stammen (van Israël) zal staan. De heidenvolken zullen er naartoe stromen en Zijn rustplaats zal Zijn Glorie zijn.

De Wortel van Isaï is het geslacht van David, waaruit Jezus Christus is geboren. De banier is het teken van zijn koningschap, dat te dien dage te Jeruzalem geïnstalleerd zal worden. De rustplaats is de tempel, waar dan de Heerlijkheid van de HEERE rust; de Glorie van de Messias en Israël. Dan zullen de heidenvolken toestromen om God eer te bewijzen (Jesaja 2:3a en Zacharia 8:22).

 

H. Thuiskomst en Zegen– Jesaja 11:11-16

De profetie zoomt nu in op de eerste maanden van het Messiaanse Rijk, na Jezus’wederkomst.

11 En het zal geschieden, te dien dage, dat de hand van de Soeverein ten tweede male zal beschikken, nu om het toegenegen restant van zijn volk terug te vorderen dat is overgebleven: zij komen uit Assyrië, uit Egypte, uit Pathros, uit Cusj, uit Elam, uit Sinear, uit Hamath en van de eilanden van de zee.

Na de proclamatie van de christusregering op aarde sommeert Jezus (de Soeverein) alle gelovige Israëlieten (toegenegen restant) om naar het beloofde land te komen en zich daar te vestigen.

12 Hij zal een banier voor de heidenvolken opheffen; Hij zal hen die verworpen zijn uit Israël verzamelen en de verstrooiden van Juda samenbrengen van de vier hoeken van de aarde.

De banier is het teken van het koningschap van de Messias. Hij zal het officieel claimen en aan de hele wereld bekendmaken. Niemand zal die claim van Jezus durven bestrijden, want dan zal een ieder beseffen dat God de macht heeft en Jezus zijn uitvoerende arm is.

13 Dan zal de afgunst van Efraïm verdwijnen en de vijandschap met Juda zal in een verbond verkeren. Efraïm zal een toegenegen Juda niet langer benijden en Juda zal een toegenegen Efraïm niet langer kwellen.

Toen Efraïm/Israël ten onder ging bestond een diepe vijandschap met Juda. In het Messiaanse Rijk zullen zij zich met elkaar verzoenen en in innige verbondenheid met elkaar leven.

14 Dan zullen zij hun vleugels uitslaan over de flank van de Filistijnen aan de zeezijde. Samen zullen zij de volken in het oosten plunderen, Edom en Moab, en hun handen op hen leggen. Ook zullen de Ammonieten aan hen onderworpen worden.

Het huidige Israël zal veel te klein zijn als, behalve de Joden, ook de verdwenen tien stammen terugkeren. Dus worden de Gazastrook, Edom, Moab en de Libanon (Ammonieten) toegevoegd.

15 Ook zal Jahweh de delta van de machtige wateren van Egypte doen opdrogen en Hij zal zijn hand over de Rivier bewegen door de verzengende kracht van zijn Geest en hem neerslaan in zeven wadi’s. Zo zal Hij bewerken dat men er op sandalen kan lopen.
16 Dan zal het geschieden dat er een gebaande weg zal zijn voor het restant van mijn volk, dat in Assyrië is overgebleven, zoals er eens voor Israël was ten dage toen zij optrok uit Egypte.

Hier wordt gezegd, dat de Nijl zal opdrogen en de Rivier (= de Eufraat) in zeven droge wadi’s zal veranderen. We dienen te beseffen, dat aan het einde van De Grote Verdrukking er geen openbaar vervoer meer is, noch een goed functionerend wegennet. De aarde zal dan een chaos zijn, dus zullen de Israëlieten te voet moeten terugkeren. God zal een gebaande weg voor hen scheppen.

 

I. Jesaja 12, Introductie

Deze perikoop ziet terug vanuit een punt in de toekomst. Het is een danklied en spreekt over de Eindtijd en het Messiaanse Rijk, als de Messias al regeert in Jeruzalem. Het is dus te verwachten dat niet alleen Jahweh, maar ook Hij in dit danklied genoemd wordt. Dat is het geval in vers 2.

1 Te dien dage zult u zeggen: Ik zal u loven, Jahweh! Hoewel u toornig op mij geweest bent, is uw toorn geweken en troost u mij.
2 Aanschouw de Godheid van mijn heil (Jezus). Ik zal vertrouwen en niet bevreesd zijn, want mijn kracht en mijn sterkte is Jah. Jahweh is ook voor mij tot heil geworden.

Jah is de intieme variant van Jahweh. Het drukt perfect de hernieuwde relatie met God uit.

3 Dan zult u vol vreugde water scheppen uit de bronnen van het heil.

Dit vers moeten we gewoon letterlijk nemen. Mensen kunnen niet uit Gods heil scheppen. Dat heil wordt hen door Jahweh gegeven, niet door hen genomen. Dat verandert als dat heil een substantie is; water des levens. In het Messiaanse Rijk zal namelijk een bron ontsloten worden onder de tempel, die in twee rivieren zal afvloeien. Zacharia 14:8 (HSV) spreekt daarover.

"Op die dag zal het geschieden dat er levend water vanuit Jeruzalem zal stromen, de ene helft ervan naar de zee in het oosten en de andere helft ervan naar de zee in het westen: 's zomers en 's winters zal het plaatsvinden."

4 Te dien dage zult u zeggen: Breng dank aan Jahweh, roep zijn Naam aan! Breng zijn daden in herinnering onder de volken! Proclameer dat zijn Naam hoogverheven is!
5 Zing voor Jahweh, want hij deed glorierijke dingen. Laat dit bekend gemaakt worden over geheel de wereld.
6 Slaak vreugdekreten en jubel het uit, gij inwoners van Sion, want groot in uw midden is de Heilige van Israël.

Jesaja 12 sluit met een lofzang op de grootheid van Jahweh, die dan weer in de tempel op Sion in Jeruzalem woont. De tekst is helder en spreekt verder voor zich.

 

Copyright: Gert A. van de Weerd; PMI Boeken BV.

Terug naar overzicht
Aflevering 5: Vrede en gerechtigheid door de telg van Isaï