Aflevering 4: Immanuël

vrijdag 26 januari

A. Jesaja 7, Introductie

In dit hoofdstuk staat de geboorte van Immanuel centraal. We lichten er twee onderdelen uit, namelijk vers 4-7 en 10-16.

B. De Syro-Efraïmitische Ooorlog en het Teken van Immanuel – Jesaja 7:1-25

In 734 v.Chr. was Achaz regent in Juda voor zijn vader, koning Jotham. Onder leiding van Aram (Syrië) was een coalitie gesloten tegen Assyrië, waar ook Israël (de tien stammen) aan meedeed. Ook koning Achaz werd uitgenodigd, maar deze weigerde. Hij was banger voor Assyrië dan voor Aram en achtte zich sterk. Tot zijn verrassing viel het coalitieleger Juda binnen. Achaz trok zich terug op Jeruzalem en versterkte de stad. Op bevel van God ontmoet Jesaja en zijn zoon Shear-Jasub koning Achaz bij het aquaduct van de bovenvijver (vers 3) met de volgende boodschap:

4 Dan zult u tot hem zeggen: Wees behoedzaam en blijf kalm. Vrees niet en laat uw hart niet twijfelmoedig worden vanwege deze twee stompen smeulend brandhout – voor de brandende woede van Rezin en Aram en voor de zoon van Remaliah.

Achaz had koning Pekah van Israël en Rezin van Aram (Syrië) minachtend afgewezen en dat had kwaad bloed gezet. Ook vreesden zij dat Juda gemene zaak met Assyrië maakte.

5 Om die reden beraamde Aram met Efraïm en de zoon van Remaliah kwaad tegen u, zeggende:
6 Laat ons Juda binnenvallen en laat ons het in stukken scheuren en het onder ons verdelen. Laat ons dan een koning aanstellen; een koning in haar midden: een zoon die toegewijd is en aangenaam voor god. 7 Zo zegt Jahweh de Heer: Dat zal niet geschieden, ja dat zal beslist niet gebeuren!

Aram/Syrië en Israël vielen dus Juda binnen. Het plan was om het land op te delen. Een klein deel zou bij Israël gevoegd worden en het zuidelijke deel met de havenstad Elath bij Syrië. Over het resterende gebied zou een vazalkoning worden aangesteld, een Syrische edelman die de god van Aram diende en de koning van Aram onderhorig was. Jesaja profeteert: dat zal beslist niet gebeuren, maar Achaz gelooft hem niet. Ter bevestiging biedt de profeet hem een teken aan:

10 Jahweh ging voort tot Achaz te spreken, zeggende: Vraag een teken voor uzelf van Jahweh,
11 uw God. Laat het verzoek diep doordringen. Moge het hoog opstijgen tot in de hoge.
12 Toen zei Achaz: Ik zal niets vragen, want ik wil de goedgunstigheid van Jahweh niet op de proef stellen.

Achaz blijft bij zijn ongeloof, maar verpakt dat in vrome praat. Hij besluit met veel geld de hulp van Assyrië te kopen. Dat wekt Gods woede op en Die stuurt Jesaja met de volgende boodschap:

12 Hoor toch, huis van David; is het niet genoeg dat u het geduld van mensen op de proef stelt? Gaat u ook nog het geduld en zelfs de genegenheid van de Godheid op de proef stellen?

Velen zien in de Godheid Jahweh, maar zo spreekt God nergens over Zichzelf. Het is dan ook Jezus Christus, in vers 14 Soeverein (of: Heer) genoemd (als ook in Jesaja 6:1).

14 Daarom zal de Soeverein – juist Hij – ulieden een teken geven. Ziet, de beeldschone jonge vrouw is zwanger en zal een zoon baren en zij zal hem Immanuel noemen.

De tekst spreekt waarschijnlijk over een bijvrouw van koning Achaz die bekend stond om haar beeldschone uiterlijk. Bijvrouwen vertoonden zich nooit publiekelijk. Aangezien Jesaja en Achaz aan vers 14 kennelijk genoeg hebben om te begrijpen over wie het gaat, is deze jonge vrouw pas kortelings in de harem opgenomen. Jesaja was lid van de Koninklijke familie. Hij was dus op de hoogte van het ‘gezin’ van koning Achaz en wist van de ‘nieuwe bijvrouw’.

1e Vervulling: De naam Immanuel betekent: God/god is/zij met ons. Het is dus op voorhand niet duidelijk dat op God zelf gedoeld wordt. Waarschijnlijk niet, want Jesaja gebruikt consequent de naam Jahweh en hier vinden we is El, wat de algemene naam is voor goden. Indien het Jahweh is, staat er meestal een eigenschap bij, zoals El Shaddai (God Almachtig) en El Olam (Eeuwige God). Waarschijnlijk is Immanuel tevens een wens, uitgesproken door de bijvrouw van Achaz (een heidense prinses), met het oog op de dreigende belegering en roept zij haar afgod aan.

2e Vervulling: In Mattheüs 1:23 (HSV) staat een citaat van Jesaja 7:14 uit de Griekse vertaling:

Zie, de maagd zal zwanger worden en een Zoon baren, en u zult Hem de naam Immanuel geven; vertaald betekent dat: God met ons.

Dit is een zwakke vertaling, want er staat in de grondtekst:

Zie, de maagd zal zwanger worden en zal een zoon baren, en zij zullen de naam van Hem roepen: Immanuel. Vertaald betekent dat: met ons (is) God.

De tekst uit Mattheüs 1:23 profeteert niet over de naamgeving van Jezus, zoals velen verklaren. Er staat: zij zullen (of: men zal) roepen. Dat heeft de betekenis van: Men zegt van Hem…! dus wat anderen (zijn volgelingen) over Hem zeggen. Het is niet de moeder van Jezus die spreekt. Dat blijkt ook, want Maria geeft het kind de naam Jezus (Mattheüs 1:21 en 25), niet Immanuel. Het gaat er hier om dat in Jezus God met ons is. Er wordt dus geprofeteerd over de komende bediening van Jezus Christus! - van zijn zending, als een soort geloofsbelijdenis! De naam Jezus bevestigt dat nog eens, want die is afgeleid van Jeho-shua; dat is: Jahweh’s redden (inderdaad; verwant aan Jesaja). Mattheüs exposeert zichzelf dus als een groot kenner van de Tenach (Oude Testament), want hij bedient zich van een spel op woorden. Door Jahweh’s redden (= Jezus) is God (nu met een hoofdletter) met ons. We kunnen dus toch zingen: O kom, o kom, Immanuel!

15 Wrongel en honing zal hij eten, totdat hij kennis heeft om het verkeerde te verwerpen en het goede te kiezen.

Wrongel en honing worden woestijnvoedsel genoemd en dat duidt op schaarste en dat klopt, want in Juda brak door de oorlog zware hongersnood uit.

16 Voorzeker: Voordat de jongen kennis bezit om het kwade te verwerpen en het goede te kiezen, zal het land dat u vreest verwoest zijn vanwege hun beide koningen.

De jongen kan Immanuel niet zijn, want die is nog niet geboren. Het is Shear-Jasub (vers 3), de zoon van Jesaja. Volgens de Joodse wet verwerft een kind kennis als het 13 jaar wordt. Bar Mitswa noemen Joden die mijlpaal; zoon van het gebod. Shear Jasub is op dat moment ongeveer 10 jaar oud. Daar vanaf gerekend zullen Syrië en Israël (beide koningen) binnen drie jaar door Assyrië verwoest worden. En dat klopt precies met de geschiedenis.

 

C. Jesaja 8, Introductie

Dit hoofdstuk krijgt weinig aandacht. Het bevat, zo stellen verklaarders, slechts wat geschiedenis en oordelen die ook elders worden aangetroffen. Daarmee wordt Jesaja 8 tekort gedaan. Want juist hier worden de verwoestende gevolgen van de breuk in het Sinaïtische Verbond beschreven.

 

D. Haastige Roof, Spoedige Buit – Jesaja 8:1-4

1 Verder zei Jahweh tot mij: neem een groot schrijftablet voor u en schrijf daarop met een gewone graveerstift: Dit betreft Maher-Shalal-Hash-Baz (haastige roof, spoedige buit).
2 Toen riep ik voor mijzelf getuigen op – betrouwbare getuigen, die mij nabij staan –: de priester Uria en Zecharja, de zoon van Jeberechjahu.

Jesaja wordt opgedragen een rare zin op te schrijven - haastig-roof-spoedig-buit. Hij roept twee getuigen op die dat officieel vastleggen. Het is dus een belangrijke profetie! Zijn vrouw raakt daarna zwanger en bij de geboorte blijkt het document de naam van de baby te bevatten.

3 Toen had ik gemeenschap met de profetes en zij werd zwanger en baarde een zoon. Jahweh zei tot mij: Geef hem de naam: Maher-Shalal-Hash-Baz (haastige roof, spoedige buit).

De profetes is de vrouw van Jesaja. Beiden zullen niet blij geweest zijn met de opdracht van God, want wie wil nu zo’n rare naam aan zijn zoon geven?

4 En nog voordat de kleine jongen in staat is om zijn vader of zijn moeder te roepen, zal de rijkdom van Damascus en de buit van Samaria weggedragen worden voor het aangezicht van de koning van Assyrië.

Vers 4 voorzegt de ondergang van Aram/Syrië en de bezetting van Israël door de Assyrische koning Tiglatpileser III (2 Koningen 15:29). De profetie wordt bij benadering in 734 of 733 v.Chr. gegeven. De plundering van Samaria vond plaats in 733 of 732, dus zal het kind toen één tot twee jaar oud geweest zijn en dan leert het inderdaad voor het eerst papa en mama zeggen.

 

E. De Springvloed van de Wraak van Jahweh – Jesaja 8:5-15

Het ongeloof van Achaz en zijn volk wordt ook gestraft en wel door datzelfde Assyrië.

5 En Jahweh ging voort tot mij te spreken, om het volgende nog te benadrukken:
6 Juist vanwege het feit dat dit bijzondere volk de zegen van de gestaag stromende wateren van Siloah verwierp en zich verheugde over het lot van Resin en de zoon van Remaliah,

De bron van Siloah lag in de berg Sion, onder de tempel. Het werd als een zegen van God gezien en staat model voor de zegeningen aan Juda. Die had Achaz verworpen. Ook had hij lotvermaak over de ondergang van Israël (de zoon van Remaliah), een broedervolk en Syrië (Resin). Achaz had God niet nodig en kocht met veel geld de hulp van Assyrië en haalde tevens hun goden binnen.

7 Welnu, omdat het zo moet zijn, zie!: De Heer zal tegen hen de overvloedige wateren van de machtige rivier doen opkomen – de koning van Assyrië met heel zijn praal – en het zal oprijzen over al zijn kanalen en het zal over al zijn oevers heen stromen.
8 Dan zal het voortijlen en Juda binnentrekken, het overspoelen en er doorheen trekken; (de wateren) zullen tot de nek reiken. En het zal geschieden, dat de uitspreiding van de vleugels (van de koning van Assyrië) de volle breedte van het land zal bedekken; de godheid met ons?

Toen de Assyriërs Aram en Israël hadden geplunderd, viel de buit tegen. Die diende tevens als soldij voor de soldaten en zij waren ontevreden. Daarop besloot koning Tiglatpileser zijn leger op rooftocht in Juda te sturen. Dat het een bondgenoot was, deerde hem niet. Slechts Jeruzalem bleef gespaard. Als een machtige rivier stortte het Assyrische leger zich op het zwakke Juda. De profetie sluit met ongemeende ironie – de godheid met ons? Welnu, dat was gebleken; neen dus.

 

F. Bind de Getuigenis toe – Jesaja 8:16-23

De goddeloosheid van Achaz, die Juda vol zette met afgoden en waarin zijn volk hem volgde, leidde ertoe dat God (na Israël) ook afstand nam van Juda. Daarmee kwam het voortbestaan van de dienst aan God ook in gevaar. Die was immers geconcentreerd rond de tempel in Jeruzalem. Als die verwoest zou worden, verdwijnen ook de instituten die Gods woord onderwijzen en de Thora en de woorden van de profeten bewaren. Jesaja ontvangt daarom van God de opdracht om de getuigenis van Jahweh zorgvuldig te boek te stellen en die veilig te stellen voor toekomstige generaties (Verzegel). Daarbij wordt hem op het hart gedrukt te leven, zoals de Thora dat voorschrijft en zijn leerlingen daarin te onderwijzen.

16 Bind de getuigenis toe! Verzegel de Thora onder mijn leerlingen.
17 Dan zal ik mijn hoop vestigen op Jahweh, die zijn aangezicht verbergt voor het huis van Jakob. In Hem zal ik mijn vertrouwen stellen.

In vers 17 spreekt Jesaja zijn persoonlijke geloofsbelijdenis uit en die klinkt bitter. Want God verbergt zijn aangezicht. Duidelijker kan de breuk in het Verbond niet geschetst worden.

21 Dan zullen zij, die zwaar verdrukt en hongerig zijn, uit haar wegtrekken. En het zal geschieden, als de honger toeslaat, dat ze in woede zullen uitbarsten en hun koning en hun goden zullen vervloeken, terwijl ze opzien naar omhoog.

De profetie ziet zowel op de ondergang van Israël, als op de rampspoed over Juda.

22 En als zij om zich heen kijken in het land, zie toch: benauwdheid en verstikkende duisternis, angstaanjagende schemering en ellende; voor hen die weggedreven worden gloort geen sprankje licht. Zal het daarom niet uitzichtloos zijn, voor wie van haar in nood is?
23 In de voorbije periode vernederde Hij het land van Zebulon en het land van Naftali. Maar in de toekomst zal Hij het Galilea van de heidenen eer bewijzen, aan de weg van de zee, voorbij de Jordaan.

Het gebied van Zebulon en Naftali werd door koning Tiglatpileser geannexeerd. Het is deze landstreek, waar Jesaja over profeteert en hij ziet ver vooruit in de tijd, toen Jezus Christus op aarde was. Toen heette dit land Opper- en Neder-Galilea en daar deed Jezus zijn wonderen. Niet in Juda, waar de tempel stond en de ‘bewakers van het Joodse geloof’ woonden. Het heil begon niet in Jeruzalem, maar in Galilea, zoals hier voorzegd wordt (eer bewijzen).

 

G. Jesaja 9, Introductie

Van dit hoofdstuk behandelen we alleen het belangrijkste gedeelte, namelijk vers 1-6.

1 Het volk dat in duisternis wandelde heeft een groot licht gezien. Over hen die verblijven in het land van de schaduw van de dood is een licht opgegaan.

Dat licht is de Christus (Mattheüs 4:16 en 5:14) en dat verschijnt op twee manieren. In Zijn eerste komst op aarde – zijn geboorte in Bethlehem – en (wat nog gebeuren moet) zijn tweede komst op aarde, de wederkomst (Zacharia 14:4). Deze perikoop legt de nadruk op Zijn tweede komst. Het land van de schaduw van de dood is het land Kanaän. Na het vertrek van de Heerlijkheid van de HEERE (Ezechiël 11:22 en 23) woont God niet meer in Jeruzalem en aldus is de bescherming van het land opgeheven. Het wordt zo een prooi van door Satan gestuurde wereldmachten.

2 U hebt dit (heiden)volk talrijk gemaakt. Deed u hun vreugde niet toenemen omdat zij zich verblijdden voor Uw aangezicht, gelijk men zich verheugt over de oogst, of zoals men feest viert als er buit verdeeld wordt?

Opvallend is dat het woord gôwy gebruikt wordt. Dat staat gewoonlijk voor een niet-Israëlitisch volk, vandaar dat het ook wel met heidenvolk wordt vertaalt. Israël wordt meestal met ‘am aangeduid. Dat is: volk of stam en dat woord drukt tevens een verbondenheid met een ander volk of met God uit die van vader op zoon wordt doorgegeven. Jesaja maakt zo subtiel duidelijk, dat Jahweh Israël heeft verlaten. Het is Gods eigen natie niet meer, maar een heidenvolk gelijk geworden, zoals ook Hosea 1:9 profeteert. Dat zet deze profetie in een onthullend en bitter licht.

3 Want het juk van zijn last, de staf op zijn schouder, de gesel van wie hem verdrukte, hebt u verbrijzeld als op Midiansdag.

De profetie springt nu naar de Eindtijd. Dan zal Israël bevrijd worden van het juk van zijn last (moeite en ontbering), de staf op zijn schouder (onderdrukking) en de gesel van wie hem verdrukte (de Antichrist). Het is een wonderbare bevrijding als op Midiansdag. Toen versloeg Gideon met slechts 300 soldaten een groot leger Midianieten, omdat Jahweh aan hun zijde streed.

4 Daarom zal elke laars, die dreunend stampte in de modder en elke mantel gewenteld in bloed, verbrand worden; brandstof voor het vuur.

Na de laatste slag van de Eindtijd zijn de vijandelijke legers, die Jeruzalem belagen, vernietigd. Daarna begint de zegenrijke regering van de Messias in Jeruzalem. Eén van zijn eerste regerings-daden zal zijn, dat Hij alle vormen van oorlog verbiedt en alle oorlogstuig wordt opgeruimd.

5 Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven en de heerschappij is op Zijn schouder. En Hij zal genoemd worden: Wonderdoener, Raadgever, Machtige Godheid, Vader voor Immer, Vredevorst.

Vers 5 staat in het Perfectum Propheticum en spreekt over de toekomst, alsof die al heeft plaats- gevonden. Dat bevestigt dat de Raad Gods vaststaat. Als kind werd Jezus in Bethlehem geboren. Als Messias-koning zal Hij heerschappij voeren. Hij wordt Wonderdoener genoemd – hij zal de Antichrist met een machtswoord doden (II Thessalonicenzen 2:8-10). Raadgever – want Jeruzalem zal het kenniscentrum van de wereld worden, onder leiding van de Messias. Machtige Godheid – want Hij is Gods zoon. Vader voor immer – hij zal als een vader de wereld besturen. Vredevorst: en er zal geen oorlog meer zijn, noch honger, noch verdrukking.

6 Aan de uitbreiding van zijn heerschappij en zijn shalom zal geen perk gesteld worden – dit ter wille van de troon van David en omwille van Zijn koninkrijk –, om het te grondvesten en het in kracht te laten toenemen door recht en gerechtigheid, van die tijd af en voor immer. De vurige toewijding van Jahweh van de hemelse legermachten zal dit alles tot stand brengen.

De eerste officiële daad na Jezus’ aankomst op de Olijfberg (Zacharia 14:4) zal zijn om een regering in Jeruzalem te vestigen (Zijn koninkrijk te grondvesten). Die moet orde brengen in de chaos die in Kanaän zal heersen na de val van de Antichrist. Daarna zal de Messias zijn heerschappij uitbreiden en de gehele aarde onder zijn regering brengen (zijn shalom zal geen perk gesteld worden). Daarmee wordt een oude profetie bewaarheid: 2 Samuël 7:16 (HSV):

"Uw huis (van David) en uw koningschap zullen voor uw ogen voor eeuwig vaststaan, uw troon zal voor eeuwig zeker zijn."

Copyright: Gert A. van de Weerd; PMI Boeken BV.

Terug naar overzicht
Aflevering 4: Immanuël