Aflevering 11: De wijngaard van Jahweh

vrijdag 16 maart

A. Jesaja 27, Introductie

Uitgelicht: 1. Satan wordt gedood en zijn geest in Sheol opgesloten. 2. De Roep van de Sjofar.

&nsbp;

B. Satan gebonden / De Wijngaard van Jahweh – Jesaja 27:1-7

1 Te dien dage zal Jahweh bezoeking doen over de vluchtende Leviathan met zijn genadeloze, grote en machtige zwaard, ja over de kronkelende Leviathan en Hij zal de verschrikkelijke draak van de grote wateren doden.
2 Te dien dage zal de wijngaard van zijn begeerte tegen hem getuigen.

Als God naar de aarde komt, moet Satan (Leviathan*) rekenschap afleggen over de wijngaard (de aarde). Hij vlucht, want hij is schuldig. God dood hem en sluit zijn geest op in Sheol. Satan is een goddelijk wezen. Zijn verschijningsvorm wordt hem afgenomen, zijn bewustzijn niet.

* Een Leviathan is een draak, hoe vreemd dat ook klinkt. Hoe die eruit ziet beschrijft Job 40:10 tot 41:24.

3 Ik, Jahweh, ben zijn bewaarder op ieder moment. Ik geef hem water opdat hij niet bezocht zou worden. Dag en nacht zal Ik hem beschermen.
4 Mijn gramschap is gestild. Zou de wijngaard Mij doorns brengen of optrekken met distels, dan zou Ik daarop stappen en die totaal verzengen.

God zelf wordt bewaarder van de wijngaard (Kanaän). Kort daarna gaat Hij in de tempel wonen (Ezechiël 43:2-7a). Als Jahweh koning over de aarde is geworden en Jezus zijn stadhouder, dan wordt geen vijandschap of rebellie meer geduld. In dichterlijke taal schetst Jesaja de haast terloopse actie van Jahweh, als er toch nog oppositie tegen zijn bewind ontstaat.

5 Laat men zich liever aan mijn sterkte vastklampen en laat hen in vrede met Mij handelen; ja, de shalom met Mij onderhouden.

God roept op tot dienstbaarheid en gehoorzaamheid, opdat de shalom alom realiteit kan worden

6 Zij die ingaan zullen wortel schieten in Jakob. Dan zal Israël gedijen en opbloeien en hun weldaden zullen het aangezicht van de wereld vervullen.

De tekst spreekt over bekeerde heidenen. Zij zullen wortel schieten in Jakob; dus opgaan in Israël.

7 Werd Jakob niet vanwege de aanslag van de slachter neergeslagen? Zal niet de moordenaar van hen die omgebracht werden eveneens gedood worden?

De slachter is de Antichrist. Hij wordt gedood door Messias Jezus (II Thessalonicenzen 2:8-10).

 

C. De Roep van de Sjofar – Jesaja 27:12-13

Deze verzen sluiten de Apocalyps van Jesaja af. Het is (uiteraard) een profetie van hoop.

12 Te dien dage zal het geschieden dat Jahweh het gebied van de delta van de Rivier tot de Wadi van Egypte zal uitkloppen. Wat u betreft; gij zult opgeraapt worden, elkeen die één van de kinderen van Israël is.

De delta van de Rivier is de delta van de Eufraat. De Wadi van Egypte ligt ten zuiden van het huidige Israël en wordt Wadi el-Arish genoemd. Daarmee worden de grenzen aangegeven van het beloofde land, zoals dat in Genesis 15:18 wordt beschreven. God zal dat gebied uitkloppen, dus de bewoners verwijderen, zodat het land leeg zal worden en er ruimte ontstaat voor de Israëlieten.

13 Ook zal het te dien dage geschieden dat een grote sjofar luid zal schallen. En zij die verloren waren in het land van Assyrië zullen komen, evenals degenen die verdreven werden naar het land van Egypte. Dan zullen zij zich neerbuigen voor Jahweh op de heilige berg in Jeruzalem.

Er is in de Bijbel sprake van drie soorten sjofars die in de Eindtijd geblazen worden. De eerste klinkt als Christus zijn Gemeente ophaalt, kort voor De Grote Verdrukking (1 Korintiërs 15:52 en 1 Thessalonicenzen 4:16). In Openbaring 8 en 9 is sprake van zeven bazuinen die de oordelen over de mensheid aankondigen. En, als derde, luidt een machtige stoot op de sjofar de terugkeer van de twaalf stammen van Israël naar Kanaän in. Mattheüs 24:31 spreekt daarover.

 

D. Jesaja 28, Introductie

Jesaja 28 spreekt van oordeel (de oude tijd) en heil (de Eindtijd). We lichten enkele verzen uit.

 

E. Oordeel over Efraïm, het Tienstammenrijk – Jesaja 28:1-4

1 Wee de trotse kroon van de dronkaards van Efraïm, een bloem van verwelkende schoonheid is zijn glorie. Zij die aan het hoofd staan van een vallei van overvloed, zijn geveld door de wijn.

De trotse kroon is Samaria. De dronkaards de regeerders (het hoofd) van het land. De vallei van overvloed duidt op de Vlakte van Jisreël (of: Vlakte van Galilea) die buitengewoon vruchtbaar was, maar daarbij is geheel Efraïm inbegrepen. De tekst spreekt van een vergaande verloedering van de rijke bovenlaag en de regeerders van Efraïm in een ‘land van melk en honing’.

2 Zie, de Heer beschikt iemand die sterk en machtig is als een hagelstorm en een verwoestende wind. Gelijk zware slagregens zal hij als een vloedgolf Efraïm door zijn hand ter aarde werpen.
3 De trotse kroon van de dronkaards van Efraïm zal onder voeten vertrapt worden.
4 En het zal geschieden dat de bloem van de verwelkende schoonheid – zijn glorie, die het hoofd is van een vallei van overvloed –, als een vroegrijpe vrucht zal zijn, voordat de oogst aanbreekt. Ontdekt iemand die, dan plukt hij die met zijn hand en slokt hem op.

Die iemand (vers 2) is Assyrië, een woest en wreed volk (sterk en machtig), dat het land Efraïm grondig zal verwoesten en de resterende bewoners zal wegvoeren (er waren al eerder ballingen weggevoerd). Zijn hand duidt de overweldigende militaire macht van Assyrië. In dichterlijke taal beschrijft Jesaja de ondergang van Efraïm (het Tienstammenrijk). Opvallend is dat Efraïm een vroegrijpe vrucht genoemd wordt die vóór de oogst geplukt wordt. Met de oogst wordt namelijk het toekomstige Messiaanse Rijk bedoeld. Daar dient Efraïm deel van uit te maken. De (te) vroege oogst is dus een metafoor voor de (onnodige) ondergang van de tien stammen. Degene die opslokt is niet de eigenaar van de vallei van overvloed (Jahweh), maar een willekeurige voorbijganger (iemand die de rijpe vrucht ontdekt en opslokt); dat is Assyrië.

 

F. Visioenen van het Messiaanse Rijk – Jesaja 28:5-6

5 Te dien dage zal Jahweh van de hemelse legermachten voor het overblijfsel van zijn volk tot een schitterende kroon en gloriekrans worden,
6 maar ook tot een Geest van rechtmatig oordeel voor degenen die zitting houden om vonnis te vellen en ten behoeve van de macht van hen die de oorlog aan de poort afwenden.

Na de bittere woorden van het Goddelijke oordeel opent vers 5 met: te dien dage. Dat is een term die gewoonlijk profetie over de Eindtijd inleidt, zo ook nu. Dan zal het overblijfsel van zijn volk (het ware Israël inclusief de verloren tien stammen) wel tot zijn bestemming komen. Die vooruit- blik is nodig om het contrast met een falend verleden de juiste contouren te geven. Om duidelijk te maken, dat mensen mogen opgeven; God echter nooit. Hij zal al zijn beloften inlossen en dat betekent dat het Messiaanse Rijk er zal komen; zonder twijfel. Als dat Messiaanse Rijk gesticht is, zetelt in Jeruzalem het hoogste rechtscollege van de wereld. Daar zal, dankzij de Geest van rechtmatig oordeel, elk geschil op rechtvaardige wijze beslecht worden. Dat rechtscollege vertegenwoordigt de onbeperkte macht van God en niets is daartegen opgewassen. Dat is ook bittere noodzaak, want als het Messiaanse Rijk uitgeroepen wordt, ligt Jeruzalem nog in de vuurlinie van vijandelijke legers die op weg zijn om de stad te verwoesten en de bewoners uit te roeien. Zij die de stad verdedigen krijgen die goddelijke macht dan tot hun beschikking. Dat zijn geen mensen, maar aartsengelen die Jahweh trouw gebleven zijn, samen met hun hemels legermachten. Zij zullen de vijanden afwenden aan de poort van Jeruzalem.

 

G. Jesaja 29, Introductie

Dit is één van de mooiste hoofdstukken van Jesaja, dus besteden we daar wat meer aandacht aan.

 

H. Het Hemelse Vuur wordt gedoofd – Jesaja 29:1-4

1 O Ariël! Gij vuurhaard Gods, in de stad waar David zich vestigde. De jaren vervliegen achteloos, de feesten volgen elkaar op.
2 Maar Ik zal de Ariël doen samendrukken. Dat zal jammerklachten en diepe rouw tot gevolg hebben en zoals aan de Ariël geschiedt zal het voor Mij zijn.
3 Dan zal Ik u rondom belegeren, u met torens omsingelen en belegeringswerken tegen u opwerpen. Zo zult u ten val komen.
4 Vanuit de aarde zal uw spreken zijn. Want, neergebogen, zal uw betoog uit het stof klinken. Ja het zal zijn alsof uw stem als een geest van de doden uit de aarde zal klinken, die uit het stof uw woorden zal lispelen.

Toen de tabernakel werd ingewijd, daalde een vuur uit de hemel; Leviticus 9:24. God zelf ontstak dus het vuur op het brandofferaltaar en dat werd heilig vuur genoemd. Alleen dit vuur mocht gebruikt worden om de offers in de tempel aan te steken. Gewoon of onheilig vuur (Leviticus 10:1-2 en Numeri 3:4 - HSV: vreemd vuur) was verboden. Het werd dan ook op een aparte plaats bewaard en dat wordt de Ariël genoemd. Toen het Sinaïtische Verbond verbroken werd en de Heerlijkheid van de HEERE – dat is de aanwezigheid van Jahweh in de tempel – vertrok (Ezechiël 10 en 11), werd de tempel kort daarna vernietigd en het vuur van de Ariël gedoofd. De Hoogheilige neemt de volle verantwoordelijkheid voor de val van Jeruzalem op Zich. Dat wil niet zeggen dat Hij daadwerkelijk oorlog tegen Juda voerde. Dat knapte de Babylonische koning Nebukadnezar op die, zonder het te beseffen, zo de handlanger van Satan was.

 

I. De Wraak van Jahweh – Jesaja 29:5-9

Met vers 5 spring de profetie weer naar de Eindtijd en spreekt over het oordeel over de vijandige volken. Het is geen gewoon oordeel. Gods woede is gericht op de legers die Jeruzalem belagen. Het ligt voor de hand daarin de legers van Gog uit Magog te zien, op het slagveld Armageddon.

5 Maar het zal geschieden, dat de razende menigte heidenen tot fijn stof zal worden en de wrede hordes als kaf in de wind zullen verwaaien; ja, dat zal in een oogwenk gebeuren.

Vers 5 ziet op de Plaag, die de vijandelijke legers in een oogwenk doet vergaan (Zacharia 14:12).

6 Vanwege de nabijheid van Jahweh van de hemelse legermachten zult u met donder, aardbeving en een groot geluid bezocht worden; met windstoten en zware storm; met vlammen van verterend vuur.

De nabijheid van Jahweh ziet op de aanwezigheid van God in de tempel. Daarmee is de aanval van de vijandige volken op Jeruzalem tevens een aanval op God zelf geworden.

7 Alsof het een droom is, of een visioen in de nacht, zo zal het geschieden aan de hordes van alle heidenvolken, die tegen de Ariël strijden en een ieder die haar aanvalt en bedreigt.

In een oogwenk zal de vrijwel hopeloze toestand, waarin Jeruzalem zich dan bevindt, veranderen en wordt de victorie behaald. Dat zal inderdaad als een droom ervaren worden. Uit vers 7 blijkt, dat het vuur van de Ariël weer brandt. Dat suggereert dat de offers zijn hervat, als voorportaal van de stichting van het Messiaanse Rijd. Strijden tegen de Ariël betekent dus strijden tegen de Raad Gods; tegen het plan van Jahweh om het Messiaanse Rijk uit te roepen en dat lokt een onmiddellijke reactie van God uit. Hij vernietigt het vijandelijke leger.

8 En het zal gaan, zoals een hongerlijder droomt; want zie, hij eet en ontwaakt, maar zijn binnenste is leeg; of zoals een dorstige droomt, want zie, hij drinkt en ontwaakt, maar zie, hij is vermoeid en zijn binnenste versmacht. Alzo zal het de hordes van alle heidenvolken geschieden, die strijden tegen de berg Sion.

Wat voor het ware Israël een zoete droom is, wordt voor de vijanden van God een nachtmerrie. Hun doel is Jeruzalem. Zij denken de overwinning te behalen, maar worden uitgeroeid.

9 Wacht maar af en laat je verrassen. Verlustig jezelf en wees verheugd. Want men gedraagt zich niet uitbundig vanwege de wijn; ze zwieren rond, maar niet vanwege sterke drank.

Jesaja roept het volk Israël op om geduld te oefenen, totdat de tijd rijp is. Dat is geen wachten, dat in jaren is uit te drukken. Heden spreken we over vele eeuwen. Voor hen die De Grote Verdrukking zullen overleven, zal een periode van grote vreugde en geluk aanbreken. Dat is geen vreugde die door sterke drank wordt veroorzaakt. Dat is heilige vreugde!

 

J. Een Bedekking ligt op het Volk Israël – Jesaja 29:10-12

10 Waarlijk, Jahweh goot een geest van diepe slaap over u uit en Hij verzegelde het inzicht van uw ogen, de missie van de profeten. Ook maakten uw leiders de zieners monddood.
11 Want voor u zijn alle visioenen als de tekst van een verzegelde boekrol geworden. Die zal gegeven worden aan hem die een handschrift begrijpt, zeggende: Lees dit alstublieft. Echter, hij zal antwoorden: Ik kan dat niet, want hij is verzegeld.
12 Of hij wordt gegeven aan iemand die niet kan lezen, zeggende: Lees dit alstublieft, maar hij antwoordt: Ik kan niet lezen.

De ondergang van Israël/Efraïm en Juda was een gevolg van het opheffen van de bescherming die God aan Zijn volk gaf. Dat gaf Satan de ruimte om zijn wraak uit te voeren. Echter, de geest van diepe slaap, ook wel bedekking genoemd, is een straf, die God zelf oplegt. Het gevolg is, dat Israëlieten maar moeilijk tot geloof in Christus komen. 2 Korintiërs 3:15-16 (NBG) zegt het zo:

"Ja, tot heden toe ligt, telkens wanneer Mozes voorgelezen wordt, een bedekking over hun hart, maar telkens wanneer iemand zich tot de Here bekeerd heeft, wordt de bedekking weggenomen."

Deze straf was echter eindig. Het eerste moment van mogelijke opheffing ontstond toen Jezus op aarde was. Hij verklaarde de Schriften en nam op die manier de bedekking weg. We vinden die passage in Lucas 4:17-21. Helaas wezen de Joden de Christus af, dus bleef de bedekking bestaan. Het tweede moment valt aan het einde van De Grote Verdrukking. Echter, dan wordt de sluier alleen weggenomen van hen die God dienen. Dankzij dit ingrijpen van Jahweh gaat de Bijbel dan eindelijk voor het volk Israël open en zal het de profeten verstaan. Het directe gevolg is dat zij Jezus Christus ook als hun zaligmaker en Messias herkennen en erkennen (Zacharia 12:9-10).

 

K. De Doven zullen Horen, de Blinden zullen Zien! – Jesaja 29:18-24

18 Dan zullen te dien dage de doven de woorden van de boekrol horen, en, verlost van duisternis en donkerheid, zullen de ogen van de blinden zien.

Deze profetie heeft een dubbele betekenis. De blinden zullen zien en de doven horen, omdat de bedekking wordt weggenomen die nu nog over Israël ligt, zoals hiervoor besproken. De tweede ziet op de bron onder de tempel, waar levend water in twee rivieren zal afvloeien. Zacharia 14:8 spreekt van een oostelijke en een westelijke tak. Aan de oevers zullen bomen groeien die genees- krachtige bladeren voortbrengen die alle ziekten kunnen genezen (Ezechiël 47:12).

19 En de blijdschap van hen die nederig zijn zal toenemen in Jahweh en de armen onder de mensen zullen juichen in de Heilige van Israël.
20 Want er zal geen wrede onderdrukker meer zijn en de spotter zal aan zijn einde komen.
21 Ja, een ieder, die het kwaad najaagt, zal uitgeroeid worden: (Zoals) zij, die een mens om een woord schuldig verklaren en de rechter in de poort voor hun karretje spannen. Zo leggen zij zinloze argumenten voor aan de rechtvaardige.

In de zaligsprekingen van Jezus horen we de echo van Jesaja 29:19. Mattheüs 5:3-5 HSV:

"Zalig zijn de armen van geest, want van hen is het Koninkrijk der hemelen. Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven."

22 Daarom, zo zegt Jahweh tot het huis van Jakob die Hij verloste: Dan zal de passie van Abra-ham door Jakob niet meer beschaamd worden en hun gezichten zullen dan niet meer verbleken.

De passie, die Abraham voor God koesterde, was de reden dat hij gekozen werd om vader van het volk Israël te worden. Die liefde was wederkerig, zo getuigt Genesis 15:1 (HSV):

"Na deze dingen kwam het woord van de HEERE tot Abram in een visioen: Wees niet bevreesd, Abram, Ik ben voor u een schild, uw loon zeer groot."

En Genesis 15:6 (HSV) prijst zijn grote geloof:

"En hij geloofde in de HEERE, en Die rekende hem dat tot gerechtigheid." 

De liefde die Abraham God toedroeg was zo uitzonderlijk, dat hij Zijn vriend genoemd werd (Jesaja 41:8 NBG/NBV). Die liefde of passie van Abraham werd keer op keer door Jakob beschaamd. Jakob is de oude naam van aartsvader Israël; de naam van een listige man die langs slinkse wegen zijn zin probeert te krijgen – zonder God. Indirect wordt daarmee het zondige deel van Israël bedoeld. De naam Israël, die Jakob ontving na zijn strijd bij de Jabbok (Genesis 32:24-32), duidt een bekeerde Jakob en staat model voor het gelovige of ware Israël. Alleen dat deel van het volk Israël zal het beloofde land van het Messiaanse Rijk mogen binnengaan.

23 Want als zijn kinderen het werk van zijn handen zien in hun midden, dan zullen zij mijn naam heiligen en de heiligheid erkennen van de Heilige van Jakob en in vrees verkeren voor de God van Israël.

Gelovige Israël wordt Gods kinderen genoemd. Met vreugde zullen zij God dienen en hem eren.

24 Dan zullen zij, die dwalen van geest, inzicht verwerven. Ja degenen die heimelijk morren, zullen onderwijzing aanvaarden.

Met onderwijzing wordt uiteraard de wet Gods bedoeld (of Thora), die vanuit Jeruzalem aan de gehele wereld opgelegd zal worden. Ook zij, die heimelijk morren, zullen de autoriteit van Jahweh en zijn Messias moeten aanvaarden.

 

Copyright: Gert A. van de Weerd; PMI Boeken BV.

Terug naar overzicht
Aflevering 11: De wijngaard van Jahweh