Aflevering 10: Het oordeel over de aarde

vrijdag 09 maart

A. Jesaja 24, Introductie

Jesaja neemt ons mee naar de Eindtijd, als de aarde dreigt te bezwijken onder Gods oordelen.

 

B. Het Oordeel over de Aarde / Het Messiaanse Rijk – Jesaja 24:1-23

Jesaja schets zowel oordeel als heil en doet dat in schrille kleuren. We lichten twee gedeelten uit.

1 Zie, Jahweh gaat de aarde uitschudden en maakt haar tot een woestenij. Hij zal haar aangezicht vervormen en haar inwoners verstrooien.
2 Dat zal een ieder overkomen: Zo volk zo priester, zo dienaar zo heer, zowel dienares als meesteres, zowel koper als verkoper, geldlener als geldverschaffer, schuldeiser als schuldenaar.

God neemt zich voor het oordeel over de wereld te uit te voeren. Dat treft arm en rijk, blank of zwart. Het woord uitschudden heeft daarin de betekenis van ‘de aarde ontdoen van het kwaad’.

3 De aarde zal aan verwoesting en plundering overgegeven worden, want Jahweh sprak het fatale woord daartoe.

Dat fatale woord wordt uitgesproken als de mensheid massaal de Antichrist/Satan volgt. Heden is nog sprake van een macht die weerhoudt (2 Tessalonicenzen 2:6), de Gemeente van Christus. Die weerhouder verdwijnt als Christus zijn Gemeente ophaalt (1 Tessalonicenzen 4:13-17).

4 De aarde rouwt en verwelkt; de wereld raakt uitgeput en versterft; het hoge volk van de aarde kwijnt weg.

De profetie springt nu naar het einde van De Grote Verdrukking. Dan is de aarde een vreselijke plaats geworden, geteisterd door de oordelen Gods. Dat zal een enorme tol aan mensenlevens eisen. Het hoge volk is Israël en daarvan zullen de gelovigen in die laatste jaren van De Grote Verdrukking zwaar door de Antichrist vervolgd worden en velen zullen omkomen (Daniël 11:41).

5 De aarde is verontreinigd door haar inwoners, want zij gingen aan de Thora voorbij. Zij hebben de voorschriften veranderd en braken het verbond der eeuwen.

De aarde was bestemd om een paradijs te zijn. De mens heeft die door zijn onverantwoordelijke gedrag verontreinigd. Dat duidt allereerst op het kwaad dat door Satan in de wereld is gebracht. In de Eindtijd zal de verloedering van de mensheid zo ver voortgeschreden zijn dat een groot deel van de wereldbevolking zich over zal geven aan het kwaad. Maar, het woord verontreinigd ziet ook op de belasting van het milieu. Want de mens houdt zich niet meer aan universele wetten van rentmeesterschap, fatsoen, eerlijkheid en recht. Zij hebben de voorschriften veranderd. Het verbond der eeuwen is geen eeuwig verbond, zoals velen vertalen. Een eeuwig verbond kun je niet breken. Het verbond der eeuwen is het verbond met Noach (Genesis 9:11-17 – ook daar wordt ten onrechte met eeuwig vertaald. Er staat: olam = langdurig), waarin God belooft de aarde niet meer te verderven. Dat wordt verbroken als de wereldbevolking zich massaal tot Satan keert.

6 Het is meer dan terecht dat een vloek de aarde zal verteren en haar inwoners zullen de schuld moeten dragen. Het is meer dan terecht dat de bewoners van de aarde zullen branden. Er zullen slechts weinig mensen overblijven.

De oordelen zijn verdiend (terecht) en zullen een groot deel van de wereldbevolking doden.

14 Maar zij, zij zullen hun stem verheffen en luid zingen van vreugde over de majesteit van Jahweh.

Het woord zij ziet op de gelovigen die De Grote Verdrukking overleefd hebben en onder Gods bescherming worden geplaatst. Dat zijn niet alleen Joden, maar allen die God dienen.

15 Zij bejubelen die naar waarheid van de Middellandse Zee tot waar de zon opkomt en geven Jahweh lof. Op de eilanden van de zee hoort men de naam van Jahweh, de God van Israël. Tot de uiteinden van de aarde klinken liederen: glorie voor de Rechtvaardige!

Een wereld waar Jahweh als enige God vereerd wordt; waar vrede en gerechtigheid heersen; waar geluk geen incident is, maar onderdeel van het normale leven. Wat een uitzicht!

16 Maar ik zei: laat mij verkwijnen; laat mij verkwijnen! Wee mij! Zij die trouweloos zijn, zullen immers verraad plegen! En verraad leidt tot verraderlijk handelen.
17 Verschrikking, valkuil en valstrik wachten u, gij bewoner van de aarde.
18a Dan zal geschieden, dat wie vlucht voor het geluid van de verschrikking, zal vallen in de put. En wie opklimt uit het midden van de put, zal gevangen worden in een valstrik.

Ondanks de vreugde is er ook verdriet. Jesaja spreekt ‘met de mond van God’. Rouwt Jahweh?... Jawel, want het is niet Gods verlangen dat mensen verloren gaan. Hier strijdt zijn meedogen met zijn rechtvaardigheid. Hij kan geen kwaad dulden en moet het bestraffen, want Hij is Zichzelf tot wet. Toch heeft God verdriet over een ieder die verloren gaat. Let wel; Jesaja ziet de toekomst. De tekst is dus ook een waarschuwing voor het heden. Nu is er nog genade voor ieder die dat vraagt.

18b Want de vensters van omhoog worden geopend en de fundamenten van de aarde zullen beven.

De tekst laat er geen twijfel over gestaan, dat God de oordelen zendt (van omhoog).

19 Al kwaad bedrijvende is de aarde tot het ultieme kwaad vervallen; daarom wordt de aarde gebroken; daarom wordt de aarde tot wankelen bewogen.
20 De aarde waggelt en zwalkt als een beschonkene. Ze zwaait heen en weer als een hut in de wind. Haar overtreding drukt zo zwaar op haar, dat zij dreigt te vallen, om nooit meer op te staan.

De wereldbevolking is overgelopen naar Satan. Wie God niet verloochenen wil wordt gedood of duikt onder. Heel de aarde is dus een vijandige plaats geworden. Daarom wordt ze gebroken door de oordelen van God. Maar, ook de opstandigheid van de mens moet gebroken worden. De oordelen zijn zo zwaar dat de aarde tot wankelen wordt bewogen en ten onder dreigt te gaan.

21 En te dien dage het zal geschieden, dat Jahweh bezoeking zal doen aan de hoge heerscharen hierboven en tegen de koningen op de aarde beneden.

De hoge heerscharen hierboven zijn afgevallen aartsengelen en hun legioenen boze geesten (voormalige engelen) die het kwaad dienen; elke demonische macht die Satan volgt. Beneden ziet op de aarde. Dat zijn de koningen die Satan volgen en tegen God zijn opgestaan.

22 Ze zullen bijeengedreven worden als een kudde, gevangen gezet in een kerker en in de ijzers geslagen worden. Dan, na vele dagen, zal (Jahweh) hen bezoeken.

Satan, de Antichrist en de Valse Profeet worden samen met hun trawanten bijeengedreven en gevangen gezet. Dat is geen gevangenis die we op aarde zouden moeten zoeken. Ze worden opgesloten in Sheol, de onderwereld. Hoewel ze gevangen genomen worden, worden ze nog niet gedood. Dat gebeurt pas aan het eind der tijden (na vele dagen/ jaren), als God hen zal berechten op zijn grote witte troon; Openbaring 20:10, 14 en 15. Gewoon doden helpt ook niet, Satan kan alleen gedood worden door Goddelijk vuur (Openbaring 20:9-10) aan het eind der tijden.

23 Dan zal de heldere maan zich weer tonen en de zinderende hitte getemperd worden, want Jahweh van de Hemelse legers zal regeren op de berg Sion en de Glorie zal in het zicht van Zijn oudsten verblijven.

Met vers 23 belicht Jesaja het begin van het Messiaanse Rijk. Er is een einde gekomen aan de rampen die de aarde teisterden. De rookwolken trekken weg en de maan, die de kleur van bloed had (Openbaring 6:12), wordt weer de vertrouwde, heldere maan. De hitte van de vele branden en van het verzengende vuur van de zon (Openbaring 16:8) neemt af tot normale proporties. God regeert van nu af aan en de wereld koestert zich in zijn zegen. De Glorie is de aanwezigheid van God in de tempel en de oudsten zijn de bestuurders van Jeruzalem. Zij zullen de Glorie zien!

 

C. Jesaja 25, Introductie

Dit is een doxologie; een lofprijzing tot Jahweh, nadat het Messiaanse Rijk is uitgeroepen.

 

D. Jahweh brengt Heil; zijn Naam zij geloofd! – Jesaja 25:1-12

1 Jahweh, u bent mijn God. Ik zal u verhogen en uw naam grootmaken, want u volvoerde uw wonderbare Raad. Waarlijk uw getrouwheid is van oudsher.

Jesaja spreekt uit naam van het ware Israël. Hij is diep onder de indruk van de Raad Gods. Die Raad is niet op basis van omstandigheden ontstaan – aangepast aan de werkelijkheid. Neen, die Raad werd reeds in oeroude tijden geformeerd en daaraan is God altijd trouw gebleven.

2 Want u hebt een stad in een hoop puin veranderd, een versterkte ommuurde stadskern in een ruïne. Citadel der heidenen, als woonplaats zal zij nooit meer herbouwd worden.

De stad is niet Jeruzalem, zoals sommigen stellen. Het kan Babylon zijn, maar logischer is om er de hoofdsteden van de vijanden van God in te zien. De Citadel der heidenen is wel Babylon.

3 Een weerbarstig volk zal U in rechte eren; een ommuurde stad van meedogenloze heiden- volken zal U vrezen.

Als het Messiaanse Rijk begint, zullen veel volken voormalige vijanden van Jahweh zijn. Velen zullen zich bekeren, maar sommigen zullen dat weigeren. Zij worden weerbarstig volk genoemd. Maar, in een wereld waar God de hoge koning is en Messias Jezus het uitvoerend koningschap bekleed, is geen ruimte voor verzet. Elk volk zal God moeten eren, want zo is de wet (in rechte).

4 Want U (God) was de zwakke tot een sterkte; een bescherming voor de behoeftige in zijn nood; een schuilplaats tegen de stormvloed en een schaduw voor de verschroeiende hitte. Want de adem van de meedogenlozen is als een stormvloed tegen een wal.

De profetie ziet terug naar de beschutting die God aan zijn volk zal bieden op de berg Sion, als Jeruzalem belaagd wordt door de vijand (meedogenlozen). Jesaja 4:5 spreekt er over.

5 Het geraas van de heidenen is als de verschroeiende hitte in een barre streek. U tempert de verschroeiende hitte door de schaduw van de wolk; het triomfantelijke gezang van de tirannen krijgt een weerwoord.

De wolk is de Heerlijkheid van de HEERE, die dan als een beschutting boven Jeruzalem hangt. Aan het einde van De Grote Verdrukking is de macht van de Antichrist op zijn top. Dan grijpt Jahweh in; dan geeft Hij weerwoord. Zo verstomt het triomfantelijke gezang van de tirannen.

6 Dan zal Jahweh van de hemelse legers op de uitverkoren berg voor alle bevriende volken een feest van overvloed aanrichten. Het drinkgelag van droesem en kostbare olie is teniet gedaan; de droesem is uitgezuiverd.

Op de berg Sion wordt een maaltijd des HEEREN aangericht. Alleen bevriende volken, die God van harte dienen, worden uitgenodigd. Het feest van overvloed typeert Gods overvloedige zegen. Vers 6b is een metafoor. De olie ziet op het goede deel van de mensheid. De droesem op het kwade deel. Dat is nu uitgezuiverd; de vijand is vernietigd (teniet gedaan).

7 Ook zal Hij op de uitverkoren berg de verhullende sluier geheel wegnemen, die als een bedekking over elk van de stammen lag, evenals de lijkwade die over alle heidenvolken is uitgestort.

Er ligt heden een verhullende sluier over het volk Israël, zoals ook Romeinen 11:25-26 zegt. De lijkwade ziet op de misleiding van de Antichrist, waardoor velen zullen geloven dat hij de Messias is. In werkelijkheid zal hij dood en verderf zaaien (2 Tessalonicenzen 2:7-10).

8 Hij (Jahweh) zal de dood uiteindelijk verzwelgen. Jahweh, de Heer, zal de tranen van ieders gezicht afwissen. Ook zal Hij de smaad van zijn volk wegdoen op heel de aarde – Want Jahweh heeft gesproken.

Het woord uiteindelijk wijst op het eind der tijden. Dan zal geen ziekte, verdriet of dood meer bestaan; God Zelf zal bij hen zijn en hun God zijn (Openbaring 21:3-4). Zijn volk is natuurlijk Israël, want na het wegnemen van de verhullende sluier (vers 7a) is sprake van een gelovig volk dat zijn Messias heeft gevonden. Israël zal daarmee zijn uitverkoren status verzilveren. Het zal in hoog aanzien komen te staan en Jeruzalem zal het centrum van de wereld worden.

9 Dan zal men te dien dage zeggen: Zie! Dit is onze God; wij hebben naar Hem uitgezien en Hij heeft ons redding geboden. Deze is Jahweh, ja wij hebben naar Hem uitgezien. Laten wij een vreugdedans maken en ons verblijden vanwege de verlossing door Hem. Want de hand van Jahweh zal rusten op de uitverkoren berg.

Dit is de belijdenis van een volk dat zijn bestemming heeft gevonden. Hier spreekt het ware Israël dat in de Messiaanse tijd het beloofde land zal beërven, zoals eens Abraham was beloofd. De hand van Jahweh is Zijn macht. Die zal rusten (wonen) op de berg Sion, de plaats van de tempel van het Messiaanse Rijk; het centrum van de toekomstige regering van de aarde.

 

E. Jesaja 26, Introductie

Jesaja 26 is een lied en bezingt de daden van God. De tekst is helder en behoeft weinig aanvulling.

 

F. Het Lied van de Overwinning van Jahweh! – Jesaja 26:1-21

1 Te dien dage zal dit bijzondere lied gezongen worden in het land van Juda: O sterke stad, die ons tot redding was en tot een muur van afweer is gesteld,

De sterke stad is Jeruzalem. De muur van afweer is Gods bescherming over de stad (Jesaja 4:5).

2 open de poorten, opdat het rechtvaardige heidenvolk, dat zich getrouw getoond heeft, moge ingaan.

Na de overwinning op Gods vijanden wordt Jeruzalem niet meer bedreigd. Het wordt tot open stad verklaard, waarin Israëlieten en heidenen, die zich getrouw getoond hebben, welkom zijn.

3 In een geest van standvastigheid zult Gij de vrede bestendig bewaken, want U bent betrouwbaar.

Dankzij de standvastigheid van Jahweh (U) zal die vrede duizend jaar duren (Openbaring 20:6).

4 Vertrouw voor altijd op Jahweh, want in Jah is Jahweh een eeuwige rots.

Jah is de intieme variant van Jahweh. Het onderstreept de persoonlijke band tussen God en Israël.

5 Want Hij doet hen, die in de hoge verblijven, neerbuigen. De ongenaakbaar ommuurde stad brengt Hij ten val en maakt die met de grond gelijk; Hij roert haar aan tot stof toe.

Die in de hoge wonen, zijn afgevallen aartsengelen en andere kwade wezens van hoge rang. De stad is het Grote Babel, dat met de grond gelijkgemaakt wordt (Openbaring 18:21).

6 Voeten vertreden haar; de voeten van de hulpelozen, de voetstappen van de armen.

Zij die eens de prooi van de Antichrist waren – de hulpelozen en de armen –, vertreden Babel nu.

7 Het pad van de rechtvaardige is harmonieus. Recht is de gebaande weg van de rechtvaardige. Daarenboven gaat de weg van uw rechtvaardig oordeel.
8 O Jahweh, wij hebben gespannen naar u uitgezien; naar uw Naam en uw gedachtenis is het verlangen van ons hart.
9 Mijn gehele wezen smacht naar U in de nacht; nog meer hunkert mijn levensgeest diep in mij naar U. Want vanwege uw oordelen over de wereld zullen de mensen op aarde het recht leren kennen.
10 De goddeloze is genade bewezen, maar hij faalt rechtvaardigheid te leren. Hij brengt het kwaad in het land van de oprechten, maar hij houdt geen rekening met de majesteit van Jahweh.
11 Jahweh, uw hand is hoog opgeheven, maar zij falen het te zien. Toon die hen en doe hen beschaamd staan. Laat hen uw ijver voor het volk zien en beschaamd worden, laat daaren- boven vuur uw tegenstanders verteren.

De goddeloze heeft zijn genadetijd verspeeld; hij heeft daarin gefaald! Die genade betrof geen eenmalig aanbod, maar beslaat een compleet tijdperk dat aanving met de prediking van Jezus:

"Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen (Mattheüs 3:2 NBG)."

12 Jahweh, u beschikt de shalom voor ons, want heel onze gezamenlijke inspanning heeft U tot voltooiing gebracht.
13 Jahweh, onze God, andere heren dan U hebben over ons geheerst, maar alleen uw Naam prijzen wij.
14 Zij zijn dood en leven nauwelijks. Zij zijn gestilde geesten die zullen falen om op te staan. Waarlijk U bezocht hen en vaagde hen weg. Ook wiste u elke herinnering aan hen uit.
15 U heeft de heidenen toegevoegd, o Jahweh. U voegde de heidenen toe en verheerlijkte Uzelf aldus. U verwijdde alle grenzen van het land.
16 O Jahweh, in benauwdheid zochten zij U op. Een ritueel gebed welde in hen op, toen uw tuchtiging over hen uitgeoefend werd.
17 Zoals een zwangere vrouw, die op het punt staat te baren, ineenkrimpt en het uitschreeuwt in haar beknelling, alzo is het ons waarlijk overkomen voor uw aangezicht, o Jahweh.
18 Wij waren zwanger en krompen ineen als baarden we wind. Wij faalden het land heil te brengen, noch zijn de volken van de wereld (voor ons) gevallen.
19 Mijn lichaam en uw doden zullen leven; zij zullen verrijzen. Ontwaak en jubel het uit gij die in het stof woont, want de oplichtende dauw is Uw dauw. Dan zullen de gestilden vallen op de aarde.
20 Ga mijn volk, ga uw kamers binnen en sluit uw deuren achter u. Verberg jezelf een korte tijd totdat Zijn schuimbekkende woede-uitbarsting voorbij is.
21 Want zie, Jahweh verlaat zijn standplaats om het kwaad van de bevolking van de aarde aan hen te vergelden. Dan zal de aarde haar bloedvergieten onthullen en zij zal niet langer haar doden bedekt houden.

Onbedekt, onschuldig bloed roept om genoegdoening (Genesis 4:11 en Ezechiël 14:7 en 8). Het ingrijpen van God onthult het kwaad, waarmee Satan, de Antichrist en Gog de wereld vergiftigd hebben. Als dat kwaad is verwijderd, kan de shalom van het Messiaanse Rijk beginnen.

 

Copyright: Gert A. van de Weerd; PMI Boeken BV.

Terug naar overzicht
Aflevering 10: Het oordeel over de aarde