2019 Aflevering 5: De Dienaar van Jahweh

vrijdag 01 februari

A. Jesaja 41:6-20 Bemoedigingen en Messiaanse Beloften

Na het intro van vers 6-7 volgt een oproep tot bekering en die is van alle tijden. Jesaja schetst een wenkend vergezicht, mits Israël zich wil bekeren. Pas dan zal God zijn volk helpen (vers 14-20).

8: Maar gij, Israël, Mijn dienaar – Jakob die Ík doe kiezen –, nageslacht van Abraham die Mij liefhad; die Ik vastpak vanuit de einden van de aarde en waar u zich ook bevindt?

9: Ik roep u en zeg tot u: U bent mijn dienaar! Ík heb u uitverkoren! Ik heb u niet veracht!

Jesaja spreekt beperkend tot Israël, Mijn dienaar. Dat lijkt op de oude tijd te duiden, omdat toen het Sinaïtische verbond werkzaam was en Israël inderdaad Gods dienaar was. Toen toonde God zijn genegenheid aan Israël, mits het Hem gehoorzaam was. Toch; Jakob die Ík doe kiezen wijst ten diepste op het moment dat Israël kleur moet bekennen: voor de Antichrist of Jahweh. In die context gaat deze oproep alleen uit naar het ware Israël (uitverkoren). Tot hen zegt God:

10: Wees niet bang, want Ik ben met u. Toon geen vrees, want Ik ben uw God. Ik zal u sterken; Ík zal u immers helpen; Ík zal u immers vasthouden met mijn rechtvaardige rechterhand!

11: Zie, allen die tegen u razen zullen beschaamd worden en te schande gemaakt. Een ieder die u bestrijdt zal tenietgedaan worden en vergaan.

12: U zult naar vijanden zoeken, maar hen niet vinden; zij zullen niet meer bestaan. Ja, de mannen die oorlog tegen u voeren zullen niet meer zijn.

13: Want Ik ben Jahweh, uw God, Die uw rechterhand versterkt. Die tot u zegt: Vrees niet, Ik zal je helpen.

Vers 11-12 schetst het gevolg van die bekering. Israël heeft altijd veel vijanden gehad. Jesaja spreekt echter over een tijd dat alle vijanden van Israël tenietgedaan worden en vergaan vs12! Dat ziet op het begin van het Messiaanse Rijk. Dan zal De Plaag (Zacharia 14:12-13) de laatste legers, die tegen Jeruzalem optrekken, vernietigen en breekt de Vrede van Christus aan!

14: Vrees de worm Jakob niet, gij gering volk van Israël. Ik, ja Ik zal u helpen – spreekt Jahweh –, uw losser is de Heilige van Israël.

De worm is geen koosnaampje, maar staat in de Bijbel voor bederf en dat wordt gesymboliseerd door Jakob – de aartsvader die met slinkse streken zijn doel wilde bereiken. Het is ook de naam van het onbekeerde Israël, zoals zo vaak blijkt in Jesaja. Het geringe volk van Israël wijst op het gelovige deel dat in de Eindtijd tot bekering komt. Dat deel zal Jahweh helpen, want Hij is hun losser. Een losser kon de schuld voldoen van een bloedverwant. Dat gold primair familie, maar later ook de Gemeente van Christus. Ook die heeft een bloedband met Jezus, want Hij kocht ons met Zijn bloed. Dat speelt ook hier. Daarom kan alleen het ware Israël vrijgekocht worden, want zij zullen Jezus uiteindelijk herkennen als hun Messias en dan zal die ‘bloedband’ Israël redden.

Jesaja 41:21-24 De Afgoden Zijn Krachteloos

In de komende verzen worden de afgoden belachelijk gemaakt. Met bijtende spot schetst Jahweh hun krachteloosheid. Dat gebeurde ook in Jesaja 40:18-25 en zo rijst de vraag: Hebben de Joden zich daar iets van aangetrokken? Neen! Dat bleek wel onder koning Manasse, want toen zonk het Joodse volk weg in zulke vreselijke afgoderij dat zelfs de buurvolken er schande van spraken.

21: Kom naderbij met uw geschil, zo zegt Jahweh. Laat de dode geraamtes (van hun afgoden) naderen, zo zegt de koning van Jakob.

God daagt de afgoden uit. We dienen hier op de nuances te letten. Want een volk dat de afgoden dient is niet waard de naam Israël te dragen. Want die betekent: strijder Gods. Daarom wordt de naam Jakob gebruikt – de aartsvader die met slinkse streken zijn doel  bereikte – waarin gelovig en ongelovig Israël verenigd zijn. Het is dus een oproep van alle tijden.

22: Laat hen naderen en ons informeren wat aanstonds gaat gebeuren. Wat zullen zijzelf verklaren en zullen wij dat ter harte nemen? Als dat gebeurt, zullen wij dan de afloop van hen mogen weten?

23: Verklaar wat komen gaat, opdat wij zullen weten dat u goden bent, hetzij goed, hetzij slecht. Dan zullen wij onder de indruk raken en tezamen (naar u) opzien.

24: Zie, u bent minder dan niets en uw werk is als een loze zucht. Het is afschuwelijk als iemand daarvoor kiest.

Afgoden werden goddelijke eigenschappen toegedacht. Wel, zegt Jahweh, laat eens zien wat ze kunnen. Laat hen zeggen wat toekomst brengt en het doel daarvan (de afloop). Dan zal Ik hetzelfde doen (vers 25-29). Het blijft stil, de afgoden reageren niet, dus stellen ze niets voor. Dat mensen voor dode afgoden kiezen, in plaats van Jahweh te dienen, is dus inderdaad afschuwelijk.

Jesaja 41:25-29 De Komst van Koning Cyrus

25: Ik doe iemand opstaan uit het noorden en zijn oorsprong is waar de zon opkomt. Hij zal in mijn Naam roepen. De heersers die komen zijn als leem en zoals een potterbakker vertreedt hij de klei.

Jahweh voorzegt de toekomst wel en aldus toont Hij zich de ware God. Vers 25 spreekt over de komst van koning Cyrus van de Meden en Perzen voordat hij zelfs geboren werd. Zijn oorsprong is waar de zon opkomt. Dat is het oosten, waar we  Perzië vinden, het geboorteland van Cyrus. Hij staat op uit het noorden en ook dat klopt. Want tussen Kanaän en Perzië lag de Syrische Woestijn; daar trok men zelden doorheen. De route naar het westen liep langs de Eufraat, naar het noordwesten, boog dan af naar het noorden van Syrië en liep vervolgens zuidwaarts via Kanaän naar Egypte. Koning Cyrus en zijn legers kwamen dus inderdaad uit het noorden!

26: Wie gaf openbaringen vanaf het begin zodat wij voorkennis zouden hebben? Zullen wij dan zeggen: het is rechtvaardiger helemaal niets mee te delen? Er is toch niemand die aandachtig luistert! – Er is toch niemand die Uw woorden hoort!

27: Als eerste is Sion aan de beurt. Let dus goed op en zie! Want ten behoeve van Jeruzalem zal Ik een vreugdebode aanstellen.

28: En Ik speur ernaar, maar er is niemand. Ja onder hen is geen raadsman die Ik zou kunnen vragen en zij Mij daarvan bericht zouden geven.

29: Zie, zij allen gaan voor eigen belang. Vruchteloos zijn hun daden en hun plengoffers zijn ijdelheid.

Jahweh openbaarde vanaf het begin zijn Raad aan de mens, maar die luisterde niet vs26. Daarin is Jeruzalem (Sion) de centrale plaats voor zijn plannen en daarvoor zal Hij een vreugdebode aanstellen. Die zocht Hij eerst onder Zijn volk, maar er is niemand die deze taak op zich neemt. Bij gebrek aan een kandidaat kiest God daarom voor een heiden; Cyrus. Dat is echter een tijdelijke oplossing – een kleine vervulling dus. De ideale vreugdebode komt nog: Jezus Christus.

Jesaja 42:1-5 De Dienaar van Jahweh Voorgesteld

De profetie spring nu naar de Eindtijd, als de ideale vreugdebode wordt aangesteld. God zelf presenteert Jezus Christus als zijn stadhouder voor en zo wordt Zijn koningschap bevestigd.

1a: Aanschouw  mijn Dienaar, Die Ik onvoorwaardelijk steun: Mijn Uitverkorene, waar mijn gemoed welbehagen in stelt. Ik heb mijn Geest op Hem gelegd.

Uit vers 1 blijkt dat de Dienaar een goddelijke persoon is. Want de zin, Die Ik onvoorwaardelijk steun kan alleen maar op de Messias, Gods zoon, wijzen. Mattheüs 12:18 bevestigt dat.

1b: Hij zal het rechtmatig oordeel doen uitgaan ten behoeve van de heidenvolken.

Het rechtmatig oordeel (mishpât) betreft Goddelijk recht. Geen mens is daartoe in staat, dat is een Goddelijke taak. Daarin verschilt Jesaja 42:1 ook van Mattheüs 12:18, want die spreekt van  het oordeel verkondigen (het wordt nog niet uitgevoerd!), Jesaja over de uitvoering: doen uitgaan van het rechtmatig oordeel ten behoeve van de heidenvolken. Psalm 98:13 getuigt ervan:

Want Hij komt, want Hij komt om de aarde te oordelen. Hij zal de wereld oordelen in gerechtigheid en de volken met Zijn waarheid.

2: Hij zal niet schreeuwen, noch luid roepen. Zijn stem zal niet gehoord worden op een publieke plaats;

Met publieke plaats bedoelt Jesaja: buiten de legerplaats en hij verwijst naar Leviticus 16:27-28. De offerdieren, waarvan het bloed op het verzoendeksel van de Ark van het Verbond gesprenkeld werd (zo werd verzoening verkregen), werden buiten de legerplaats gebracht en verbrand. Dat is tevens een heenwijzing naar de offerdood van Jezus. Ook zijn bloed werd vergoten en ook Hij werd, als een onreine (Numeri 5:1-4), buiten de legerplaats (Jeruzalem) gebracht, naar Golgotha. Aldus werd Jezus openlijk buiten de Joodse gemeenschap geplaatst (Hebreeën 13:12- 14).

3: Het geknakte riet zal Hij niet verbreken en de smeulende vlaspit zal Hij niet doven. Hij zal het rechtmatig oordeel in waarheid en trouw doen uitgaan.

Deze profetie wijst ten diepste op de gelovigen die De Grote Verdrukking zullen overleven. Zij zijn geknakt, maar niet verbroken; zij zijn bijna uitgedoofd, maar niet geheel verloren. De komst van de Messias en de uitvoering van het rechtmatig oordeel zal hen uitkomst brengen. Maar deze tekst heeft ook een universele betekenis en is door de eeuwen heen gelovigen tot steun geweest als zij werden verdrukt. Het heeft hen er telkens van verzekerd dat, ook al word je door mensen in de steek gelaten, Christus het nooit af laat weten. Johannes 10:27-29 getuigt daarvan.

4a: Hij zal niet versagen noch breken, totdat Hij het rechtmatig oordeel op aarde gevestigd heeft.

Als Jezus koning is geworden, zal Hij de wereld onder zijn gezag brengen en Gods wetten (het rechtmatig oordeel)  ten uitvoer brengen. Dat is een taak waar wel enige jaren overheen gaan. Toch zal Hij niet versagen noch breken, totdat de Shalom op de hele wereld is gevestigd.

4b: En op Zijn onderwijzing zullen de kustlanden hun hoop stellen.

De oordelen van De Grote Verdrukking zullen de wereldbevolking sterk doen slinken. Van een geordende maatschappij is dan geen sprake meer. Jesaja spreekt van kustlanden, aantrekkelijke woongebieden waar de overlevenden naartoe zullen trekken. Velen zullen God niet kennen, maar daarin wordt voorzien, want er komt hulp uit Jeruzalem, zo spreekt Jesaja 2:3, Grondtekst, Want van Sion zal onderwijzing uitgaan en het Woord van Jahweh uit Jeruzalem.

Deze perikoop eindigt met een lofprijzing. Daarmee zet God er zijn handtekening onder.

5: Zo zegt dé God, Jahweh, Schepper van de hemelen, die Hij ook uitspande; Die de aarde haar vorm gaf, maar ook wat daarop voortgebracht wordt. Die de levensadem deed neder- dalen op het bondsvolk op aarde en de levensgeest gaf aan wie op haar wandelen.

Jesaja 42:6-12 Profetie over het Ware Israël

De Dienaar is voorgesteld en de weg naar het heil getoond. Nu spreekt Jesaja over de uitvoering.

6: Ík, Jahweh, was het Die u riep in gerechtigheid. Ik zal u bij de hand grijpen en Ik zal u bewaren. Dan zal Ik u tot een verbond stellen; een bondsvolk tot licht van de heidenvolken.

Jahweh openbaart zich in vers 6 nadrukkelijk als degene die het heft in handen heeft genomen. Dat moment ligt niet in het heden of verleden, maar spreekt van het begin van het Messiaanse Rijk in de Eindtijd. Er staat veel in dit vers. Allereerst het woord gerechtigheid. Dat ziet op de splitsing van het volk Israël in een gelovig en een ongelovig deel. Als er staat: Ik riep u tot gerechtigheid, dan ziet dat op het ware Israël. Zij hebben Jezus als hun verlosser aanvaard. Het kwaadwillige volksdeel zal met de Antichrist, die zij gediend hebben, uit Jeruzalem wegvluchten (Zacharia 14:5) en de dood vinden (uitgeroeid worden – Zacharia 14:2b HSV). Alleen ware gelovigen mogen Kanaän binnen gaan. Ezechiël 20:38 profeteert daarover.

Ik zal van u uitzuiveren wie in opstand komen en wie tegen Mij overtreden. Ik zal hen leiden uit het land waar zij vreemdeling zijn, maar zij zullen op het grondgebied van Israël niet komen.

Als deze profetie vervuld wordt heeft de aarde zwaar geleden onder de oordelen. Daarom zal Jahweh zijn volk bij de hand nemen en bewaren. God heeft grootse plannen met Zijn volk.  Hij zal een nieuw verbond aangaan; het Eeuwige Verbond (Ezechiël 20:37).

7: Daartoe zal Ik de ogen van blinden openen, wat gebonden is uit de ketenen te bevrijden en die in duisternis vertoeven uit het huis van gevangenschap leiden.

Dit is een geweldig mooi vers. Jesaja spreekt over het einde van de bedekking die God op Israël heeft gelegd, waardoor zij Jezus maar moeilijk als hun Zaligmaker herkennen. Paulus legt dat precies uit in Romeinen 9-11 en 2 Korinthiërs 3:15-16.

Aan het einde van De Grote Verdrukking zal een ieder, die Jahweh vereert, zwaar vervolgd worden door de Antichrist. Als die Verdrukking voorbij is, zullen de gevangenissen overvol zijn van mensen die op hun proces wachten. Zij worden op last van Jahweh en zijn Messias bevrijd. De derde groep betreft waarschijnlijk hen die in de occulte ban van de Antichrist zijn geraakt. Zij moeten bevrijd worden van hun occulte belasting; uit de duisternis.

Voor een veel uitgebreider bespreking van Jesaja 42 verwijzen we naar:  De Profeet Jesaja, deel 2.

Jesaja 42:13-20 Jahweh Trekt uit ten Oorlog

14: Ik heb lange tijd gezwegen. Ik hield Mij stil en heb Mij ingehouden. Nu zal Ik een schreeuw voortbrengen. Ik blaas ze (de vijanden) uit en verzwelg ze tegelijkertijd.

De lange tijd ziet op de eeuwen vóór De Grote Verdrukking, dus ook ons heden. Heel die periode heeft God gezwegen; greep Hij niet in. Wel is Zijn Geest werkzaam in de Gemeente, maar daar blijft het bij. Gaat God zo stilzwijgend akkoord gaat met de gang van zaken op aarde? Beslist niet, die moet Hem een doorn in het oog zijn, maar tot nu toe heeft de Hoogheilige zich steeds ingehouden. En daarmee eerbiedigt Hij het Noachitische Verbond. Maar als het beeld van het beest wordt opgericht en de mensheid zich massaal tot Satan keert, wordt dat Verbond verbroken. Dan komt God naar de aarde (Jesaja 26:21, 30:27). Eerst gaat Hij naar Egypte (Jesaja 19:1b), dan  naar Jeruzalem (Sion – Ezechiël 43:1-7) en daar klinkt zijn schreeuw (Joël 3:16 NBG, De HERE brult uit Sion en verheft zijn stem uit Jeruzalem, zodat hemel en aarde beven).

Wat wordt profetie toch duidelijk als je de grondtekst letterlijk volgt. De Plaag (Zacharia 14:12) zal Gods vijanden ogenblikkelijk doden (blaas ze uit) en verteren (verzwelg ze tegelijkertijd).

Helaas moeten we het hier bij laten, maar er is nog zoveel meer te vertellen over deze verzen.

Jesaja 42:18-25 Treurzang over het Lot van het Volk Israël

Met vers 18 springt de profetie terug in de tijd. Het is een treurzang van God zelf.

18: Gij doven: hoor toe! En gij blinden: open uw ogen om te zien!

19: Wie is hier blind? – toch niet Mijn Dienaar? En doof? – toch niet Mijn bode? Zal Ik iemand zenden die blind is om tot vrede te dienen? – en een blinde als Dienaar van Jahweh?

Deze oproep (hoor toe) klinkt tot doven en blinden. Dat is het Joodse volk in onbekeerde staat, want dat werd een bedekking opgelegd. Paulus noemt dat een geest van diepe slaap (Romeinen 11:7-8), maar die wordt in de Eindtijd opgeheven. Zacharia 12:10-14 spreekt over hun bekering. In vers 19 spreekt God over de Dienaar, Jezus Christus. De profetie heeft met een ondertoon van verdrietige ironie. De tekst refereert aan het leven van Jezus. Toen predikte Hij: Bekeert u want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen (Mattheüs 3:2). Maar de Joden geloofden Hem niet. Zij kenden de Tenach, maar herkenden Jezus niet! Nu (in de Eindtijd), zoveel eeuwen later, wordt dat hen nog eens voorgehouden. De profetie combineert het verdriet over verloren eeuwen met de zoete geur van het komende heil. Want Jezus zal, als Dienaar van Jahweh, gelovige Israëlieten leiden en hen de vrede brengen waar zij al zo veel eeuwen naar verlangen. Wie is hier blind? Toch niet Jezus, Mijn Dienaar. Het zijn indrukwekkende woorden en die spreken voor zich.

20: U hebt veel gezien, maar het deed u niets – de oren waren wel open, maar niets drong tot u door.

Vers 20 klaagt het Joodse volk aan. De woorden veel gezien wijzen op de omwandeling van Jezus op aarde. Toen openbaarde Hij zich als Messias die Israël naar het Messiaanse Rijk wilde leiden, maar Hij werd afgewezen. Zijn prediking was aan dovemans oren gericht tot op de huidige dag.

21: Het behaagde Jahweh om ter wille van zijn gerechtigheid de Thora te doen toenemen in luister.

22: Toch is juist dit volk beroofd en uitgeplunderd; verstard van angst, allen verborgen in grotten of in huizen van gevangenschap. Zij zijn tot prooi geworden en er is niemand die hen verlost van plunderaars. Er is niemand die zegt: Ga terug!

23: Wie van u zal daar aandacht aan geven; zal hij voortaan luisteren en gehoor geven?

24: Wie heeft Jakob aan plunderaars overgegeven en Israël aan rovers? Is het niet Jahweh, tegen Wie wij hebben gezondigd? Want zij wilden niet in Zijn wegen wandelen en Zijn onderwijzing gehoorzamen.

25: Aldus heeft Hij zijn brandende toorn over hem (= Israël) uitgestort; het geweld van de oorlog. Dat zette hem overal in vlam. Toch begreep hij het niet. Ja, het verteerde hem, maar hij nam het niet ter harte.

Vers 21 geeft kort weer wat God wil: gerechtigheid op aarde. Daarom wordt de Thora (= de wet Gods of onderwijzing) de hele wereld opgelegd (toenemen in luister). De uitvoering van dat Goddelijke voornemen begon toen Jezus Christus op aarde kwam, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen (Johannes 1:11). Het zal dwingend opgelegd worden in het Messiaanse Rijk.

Hoewel Israël Gods volk was, plaatste het zich met de afwijzing van Jezus buiten de bescherming van Jahweh (overgegeven vs24). Die hebben zij broodnodig want Satan zoekt altijd naar mogelijkheden om Gods volk te belagen en zo mogelijk uit te roeien. De tekst geeft een getrouw beeld van wat Joden in de eeuwen na Christus overkwam en dat zal een triest hoogtepunt vinden in de vervolging van gelovige Joden in De Grote Verdrukking; de tweede Holocaust.

 

Terug naar overzicht
2019 Aflevering 5: De Dienaar van Jahweh