2019 Aflevering 3: Hizkia – Geschiedenis of Profetie?

vrijdag 18 januari

A. Jesaja 36-39, Introductie

Met Jesaja 36 begint een geschiedkundig gedeelte over het leven van koning Hizkia, waar ook de hoofdstukken 37-39 bij horen.

 

B. De Assyrische Inval in Juda

Assyrië en Babylon waren de grote mogendheden van de oude tijd. Toen Hizkia koning van Juda werd, was het rijk van Assyrië in verval geraakt en hun invloed sterk teruggedrongen. Tien jaar later werd het weer sterk en begon het zijn invloedssfeer uit te breiden.

In het veertiende jaar van Hizkia trok het leger van de Assyrische koning Sanherib westwaarts en nam Sidon, Achzib en Akko aan de Fenicische kust in. Daarna trok het Assyrische leger naar het zuiden. Moab, Edom en Asdod gaven zich onmiddellijk over en betaalden schatting om zo bezetting en verwoesting te ontlopen. Askelon en de naburige steden Joppe en Beth-Dagon, die dat niet deden, werden met grof geweld door de Assyriërs onderworpen. Om dit lot te ontgaan, stuurde Hizkia  afgezanten naar koning Sanherib om vrede te sluiten (2 Koningen 18:14). Deze eiste driehonderd talenten zilver en dertig talenten goud. Dat was een enorme som geld. Koning Hizkia nam alle goud en zilver uit de tempel en de Koninklijke schatkamer (2 Koningen 18:15-16). Er staat niet vermeld dat dit genoeg was, want koning Sanherib sloot geen vrede. Hij stuurde een hoge dienaar (de rabsake) met een deel van zijn leger en deze sloeg het beleg voor Jeruzalem. Dat is de gebeurtenis, waarmee deze profetie aanvangt.

Waarom nu dit oude verhaal dat te midden van profetie over de Eindtijd staat? Omdat de Rapsake een type is van de Antichrist en met de ondergang van Juda en het koningshuis van David de Raad Gods in het geding was. Hij beschimpt in vers 18-20 niet alleen Hizkia, maar ook Jahweh (Jesaja 37:4) die hij neerzet als een krachteloos God. Daarin is hij een type van de Antichrist in de Eindtijd die de Hoogheilige publiekelijk zal lasteren. Daniël 7:7b (HSV) spreekt daarover:

En zie, in die horen waren ogen als mensenogen en een mond vol grootspraak.

En 2 Thessalonicenzen 2:9 en 10 (HSV):

Hem, wiens komst overeenkomstig de werking van de satan is, met allerlei kracht, tekenen en wonderen van de leugen en met allerlei misleiding van de ongerechtigheid…

De rabsake wordt door koning Sanherib gestuurd die zo het type van Satan is, zoals ook uit Jesaja 37:21-29 blijkt). Daarover zegt Daniël 11:36 (HSV):

Die koning zal handelen naar eigen goeddunken. Hij zal zich verheffen en zich grootmaken boven elke god. Hij zal tegen de God der goden wonderlijke dingen spreken. Hij zal voorspoedig zijn tot de gramschap voltrokken is. Want wat vast besloten is, zal gebeuren.

En in de ondergang van het Assyrische leger (Jesaja 37:36) zien we een treffende overeenkomst met de ondergang van het leger van Gog (Ezechiël 38-39) door De Plaag (Zacharia 14:12).

De Vingerafdruk van Gods Wezen

In beide profetieën, over de Rabsake en de Antichrist, herkennen we Gods hand. Dat Hij zo reageert en dat niet doet in andere gevallen wanneer zijn Naam gelasterd wordt, heeft te maken met het feit dat de Hoogheilige toen nog steeds in de tempel te Jeruzalem woonde. De lastering van zijn grote Naam geschiedt dus op zichtafstand van de tempel; voor Zijn aangezicht. Dat kan niet zonder gevolgen blijven.

In Jesaja 36:4-18 lezen we een stukje psychologische oorlogsvoering. De Rabsake ontvangt een delegatie van koning Hizkia. In het gesprek dat volgt, biedt hij Hizkia geen enkele uitweg. Hij eist onvoorwaardelijke overgave. Om zijn woorden kracht bij te zetten, loopt de Rabsake naar de muur van Jeruzalem en spreekt hij met luide stem de verdedigers toe. Ongetwijfeld heeft de Rapsake de delegatie van Hizkia om hem heen gezet, om zo beschermd te zijn tegen mogelijke pijlen van de verdedigers. De Rapsake biedt hen een royale beloning, mits ze zich overgeven en de poorten van Jeruzalem openen.

Nadat de rabsake ten aanhoren van de verdedigers op de muur van Jeruzalem de hopeloze situatie van de stad in schrille kleuren geschilderd heeft en daarbij ook nog de God van Israël lasterde, wordt dit alles aan koning Hizkia overgebracht. Koning Hizkia scheurt zijn kleren (Jesaja 37:1), hult zich in rouwgewaad en gaat de tempel binnen om tot God te bidden. Tevens stuurt Hij enige hoge dienaren naar Jesaja om via hem God om raad te vragen. We lezen vers 4, Grondtekst:

Moge het zijn dat Jahweh, uw God, al de woorden van de rabsake zal opmerken die de koning van Assyrië, zijn heer, gezonden heeft om de levende God te honen en dat Hij recht zal doen aan de woorden die Jahweh, uw God, zeker hoorde; en dat u een gebed zult opzenden voor het overblijfsel dat nog gevonden wordt.

In dit vers toont koning Hizkia dat zijn voortdurende omgang met God hem een groot inzicht heeft gegeven in de natuur van Jahweh. Hij opent met de bede dat Jahweh, uw God (dat is: de God die Jesaja dient), de schokkende woorden van de rabsake zal opmerken. Natuurlijk is God omnipotent en ontgaat Hem niets. Maar God wordt zo vaak gelasterd, zonder dat Hij daarop reageert. Het woord opmerken heeft hier dus de lading van ‘oplettend tot zich nemen’ en ‘er op te reageren’! Haast in één adem wordt ook nog meegenomen dat de rabsake slechts een spreekbuis is van zijn heer, de koning van Assyrië.

Koning Hizkia stelt terecht vast dat Gods recht is aangetast. Want de godslastering geschiedde niet zomaar op een willekeurige plaats op aarde, dus in het domein, waarvan Satan de overste is (Johannes 12:31, 14:30 en 16:11), maar in Gods eigen koninkrijk, Kanaän, recht in Zijn gezicht. Want de Hoogheilige troonde nog steeds op de cherubs in de tempel. Hizkia stelt terecht vast dat de eer van Jahweh voor het front van zijn eigen volk bezoedeld werd. Daarom vraagt hij of God recht wil doen aan de woorden, die Jahweh, uw God, zeker hoorde. Als laatste verzoekt Hizkia aan de profeet Jesaja of hij zijn boodschap als een gebed wil opzenden naar God; als een offer.

Hizkia spreekt van een overblijfsel, dat nog gevonden wordt. Daarmee duidt hij op de inwoners van Jeruzalem, want de rest van Juda was reeds door de Assyriërs bezet. Met dit gebed doet koning Hizkia een beroep op de eer van God. Hij eist haast dat Jahweh zichzelf recht verschaft. Dat het ingrijpen van God ook Juda ten goede komt, is meegenomen. Het is niet zijn primaire doel en daarmee schaart koning Hizkia zich onder de groten in Gods koninkrijk.

In Jesaja 37:5-7 krijgt Koning Hizkia antwoord van God. Hij zegt (Grondtekst, vers 7):

Zie toch; Ik zal tegen hem aanblazen en als hij het bericht hoort, zal hij terugkeren naar zijn land. Ook zal Ik hem vellen door het zwaard in zijn eigen land.

Voor Jahweh is het Assyrische leger geen partij. Het is een bagatel dat Hij (haast achteloos) kan verwijderen. Er wordt niet gezegd wat dat blazen bewerkt, maar dat is natuurlijk de vernietiging van het Assyrische leger (vers 36) dat voor Jeruzalem lag. Koning Sanherib zal zich daarom met het restant van zijn leger terug moeten trekken naar Assyrië. Sanherib zelf wordt ook gestraft voor zijn godslastering. Hij wordt gedood in zijn eigen land.

Als de rabsake hoort, dat Hizkia zich niet wil overgeven, gaat hij naar Lachis, waar koning Sanherib verblijft en het grootste deel van zijn leger. Hij wordt bedreigt door het oprukkende Egyptische leger (Jesaja 37:9) en dreigt nu op twee fronten te moeten vechten. Sanherib wil geen lange belegering riskeren en groot verlies aan manschappen. In plaats van aan te vallen besluit Sanherib Hizkia onder zware druk te zetten met allerlei bedreigingen (vers 10-13) die hij door de Rapsake per brief laat overbrengen. De inhoud daarvan schokt Hizkia. Hij gaat naar de tempel en (Jesaja 37:14) spreidde de brieven uit voor het aangezicht van Jahweh en Hizkia bad tot Jahweh. In het gebed tot God, dat daarop volgt, vraagt Hizkia om hulp. Niet voor zijn eer, maar ten behoeve van Gods eer – Jesaja 37:15-20.

16: Jahweh van de hemelse legers, God van Israël, die gezeten is op de cherubs, u, ja u alleen bent de hoogste God van alle koninkrijken van de aarde. Gij, ja gij hebt al de hemelen en de aarde gemaakt.

17: Neig uw oor, o Jahweh en hoor! Open uw ogen, o Jahweh en zie! Luister dan naar al de woorden van Sanherib, die hij gezonden heeft om de levende God te honen.

18: Inderdaad hebben de koningen van Assyrië elk van die landen verwoest, ja geheel het land.

19: En al hun goden in het vuur gegooid, want dat waren geen ware goden, maar slechts het werk van mensenhanden; hout en steen dat zij vernietigd hebben.

20: Nu dan, Jahweh, onze God, verlos ons uit zijn hand, opdat alle koninkrijken van de aarde het mogen weten. Want u, Jahweh, bent de enige.

Het gebed van koning Hizkia is een lofzang op de grootheid van Jahweh. Daarin schetst Hizkia het verschil in statuur tussen afgoden – door mensenhanden gemaakt – en de levende God die de aarde geformeerd heeft. Koning Sanherib heeft die God gehoond en op basis van de bezoedelde eer van Jahweh, vraagt Hizkia de Hoogheilige in te grijpen, opdat alle koninkrijken van de aarde het mogen weten: Jahweh is de enige ware God.

Jesa ja 37:21-23, Grondtekst:

21: Toen zond Jesaja, de zoon van Amos, het antwoord tot Hizkia: Dit zegt Jahweh, de God van Israël: Omdat u tot Mij gebeden hebt over Sanherib, de koning van Assyrië,

22:  is dit het woord dat Jahweh tegen hem gesproken heeft: De maagdelijke dochter van Sion veracht u en bespot u. Naderhand zal de dochter van Sion het hoofd over u schudden.

23:  In de nabijheid van Wie hebt u gehoond en gelasterd? Tegen Wie hebt u uw stem verheven en in hoogmoed uw ogen opgeslagen? Tegen de Heilige van Israël!

De  vroomheid en volharding van koning Hizkia worden beloond. God besluit in te grijpen, Jeruzalem te verlossen en koning Sanherib te straffen.

Extra accent krijgt het feit dat Sanherib zijn honende woorden in het zicht van de tempel durfde te spreken. Daarom zegt Jahweh: In de nabijheid van Wie hebt u gehoond en gelasterd? Voor het aangezicht van de Heilige van Israël!

De maagdelijke dochter van Sion is de berg Sion in Jeruzalem. Maagdelijk? Zeker, want de stad blijft onbezoedeld en zal niet vallen.

______________________________________________________________________________

Jesaja 38; De ziekte van koning Hizkia

In dit hoofdstuk wordt ons een blik gegund in het hart van koning Hizkia. In weinig zinnen leren wij een hoogstaand mens kennen, die niet voor zichzelf leefde, maar vooral Jahweh met een hartstochtelijke passie diende. 2 Koningen 18:5 en 6 (HSV) getuigt daarvan:

Hizkia stelde zijn vertrouwen in de HEER, de God van Israël. Nooit, noch voor noch na zijn tijd, is hij geëvenaard, door geen van de koningen van Juda. Hij was de HEER toegedaan en heeft zich nooit van hem afgekeerd; hij hield zich aan de geboden die de HEER aan Mozes heeft gegeven.

Dat was geen gemakkelijke levenshouding in die tijd, want Hizkia was koning over een land en een volk dat Jahweh had verlaten en Hem niet meer kende. Hizkia diende Jahweh met heel zijn hart. Zijn verlangen was het om Juda terug te voeren naar God, maar dat lukte niet. Zijn passie, zijn falen en de vreugde over de verlenging van zijn leven (vers 5 - waardoor hij dacht zijn taak te kunnen afmaken), vinden we in zijn gebed en getuigenis terug.

Dit hoofdstuk staat vooral bekend vanwege het teken dat Hizkia gegeven wordt (vers 8), waarmee God zijn beloften aan hem verzegeld. Twijfelde Hizkia aan God, dat hij een wonder nodig had?

Jesaja 38 is geen moeilijk hoofdstuk. Toch bevat de grondtekst allerlei, zeer boeiende details die helaas in de meeste vertalingen ontbreken. Het is echter ondoenlijk die in deze korte uittreksels te vangen, dus moeten we hier verwijzen naar De Profeet Jesaja, deel 2, van Gert A. van de Weerd.

______________________________________________________________________________

Jesaja 39; De Hoogmoed van koning Hizkia

Hizkia krijgt bezoek van een delegatie hooggeplaatste ambtenaren van de koning van Babylon. Dat was een grote eer, want Babylon behoorde tot de grote mogendheden van die tijd, evenals Assyrië, hun grootste vijand. Waar kwamen zij voor? Juda was onder koning Achaz ingekrompen tot een dwergstaatje in de bergen van Judea en economisch van geen belang. Het was dus geen potentiële machtige bondgenoot voor Babylon, dat bovendien ver weg lag. Juda was ook niet rijk, want alle schatten van het land waren verbruikt om de Assyriërs af te kopen (wat ook nog mislukte). De werkelijke reden van het bezoek was de buit die Hizkia in handen viel toen God het Assyrische leger uitroeide. Ook zullen de Babyloniërs zich afgevraagd hebben, hoe Juda het onverslaanbaar geachte leger van Assyrië kon vernietigen. Iets wat hen niet lukte.

De Babylonische koning, Merodach-Baladan, zat in het nauw. Na aanvankelijke successen tegen de Assyriërs leed hij nederlaag op nederlaag. Hij had zijn hoofdstad (Babel) al verloren en zocht radeloos naar geld, materiaal, manschappen en een bondgenoot om het tij te keren. Welnu, Hizkia beheerde de buit van een groot Assyrisch leger en dat was precies wat Merodach-Baladan nodig had. Wellicht kon Hizkia hem ook nog tips geven, hoe de Assyriërs te bestrijden.

Hizkia zwelt van trots als hij met de Babyloniërs onderhandeld. Hij, koning van een dwergstaatje, was ineens gesprekspartner van de groten der aarde. Hij toont hen alles wat hij bezat (vers 2):

Hizkia was blij met hun komst en hij toonde hen heel zijn schathuis: al zijn zilver, goud, specerijen en al de kostbare oliën en iedere opslagplaats van gebruiksvoorwerpen, ja elk (voorwerp) dat onder zijn schatten werd gevonden. Er was geen ding in zijn huis of in heel zijn koninkrijk dat Hizkia hen niet wilde laten zien.

Nergens staat dat Hizkia God de eer gaf. Hij eist die zelf op en dat grieft God diep! Hij stuurt de profeet Jesaja en die vraagt koning Hizkia (Jesaja 39:3-7, Grondtekst):

3: Wat zeiden deze mannen en vanwaar kwamen zij tot u? En Hizkia antwoordde: Zij zijn uit een ver land naar mij toe gekomen, uit Babel.

4: Ook vroeg hij: Wat zagen zij in uw huis? En Hizkia antwoordde: Alles, wat dan ook, dat hen in mijn huis opviel. Er is niets van mijn schatten die ik hen niet getoond heb.

5: Hierop zei Jesaja tegen Hizkia: Hoor het woord van Jahweh van de hemelse legermachten:

6: Zie, de dagen zullen komen dat alles, wat zich in uw huis bevindt en wat uw vaderen hebben bijeengebracht tot op deze dag, naar Babel zal worden weggevoerd. Geen ding zal achtergelaten worden, spreekt Jahweh.a

De boodschap van God zal voor koning Hizkia als een donderslag bij heldere hemel geklonken hebben. Plotseling staat hij weer met beide benen op de grond. Want er is geen reden tot euforie. Het volk van Juda hangt nog steeds aan de afgoden en het land had zwaar geleden onder de invallen van het Assyrische leger. Zijn taak, om Juda terug te voeren tot Jahweh, is bovendien nog niet af. Hizkia heeft zijn focus echter verloren. Zijn onvoorwaardelijke toewijding aan God is weggeëbd en veranderd in eigendunk en hoogmoed.

Het Sinaïtische Verbond was nog steeds verbroken en daarmee ligt nog steeds de doem over Juda. Hizkia heeft die doem alleen maar dichterbij gebracht. De Babylonische delegatie, die hij nu hogelijk vereert, vertegenwoordigt het volk dat die doem zal voltrekken.

7: En van uw zonen, die uit u zullen voortkomen, welke u zult verwekken, zullen er worden weggevoerd en zij zullen eunuch worden in het paleis van de koning van Babel.

Als de profeet Jesaja deze profetie uitspreekt, heeft Hizkia nog geen kinderen. Hij was toen ongeveer veertig jaar oud en zal wellicht weinig hoop meer hebben gehad op nakomelingen. Deze profetie heeft dus, hoewel in principe veroordelend, ook een positieve kant. Hizkia zal niet kinderloos sterven.

Aan oosterse hoven in de oudheid was het in de vroeg oudtestamentische tijd de gewoonte om hoge dienaren, die in de nabijheid van de koning verkeerden, te castreren. Zo werd voorkomen dat er enige twijfel kon ontstaan of de kinderen die de vrouwen van de koning baarden, wel van hem waren. Het toegepaste woord – s?rîsîm – evolueerde echter tot een naam die in later eeuwen algemeen voor hovelingen werd toegepast. Dat hoefden toen niet altijd eunuchen te zijn, vandaar dat sommigen hier beambten lezen.

Hizkia protesteert niet en aanvaart het oordeel van God. Waarschijnlijk is hij zelfs opgelucht dat hij er zo goed afkomt, want hij zegt (vers 8):

Toen zei Hizkia tegen Jesaja: Het woord van Jahweh, dat u sprak, is goed. Tevens zei hij (bij zichzelf): Dus zal er vrede en stabiliteit zijn in mijn dagen.

Koning Hizkia buigt zich nu voor de majesteit van Jahweh en geeft hem alle eer (vers 8). Hij komt er zelf bovendien nog goed af, want de profetie betreft niet hem maar toekomstige geslachten.

Het woord stabiliteit (’emeth) heeft een ondertoon van trouw/betrouwbaar, vaak in de vorm van zegeningen van Jahweh. Dat is hier ook de betekenis. God neemt geen afstand van Hizkia, maar bewijst hem trouw gedurende de rest van zijn leven. Dat is genade in optima forma.

Dit is een uittreksel. Voor een veel uitgebreider bespreking verwijzen we naar:  De Profeet Jesaja, deel 2.

Terug naar overzicht
2019 Aflevering 3: Hizkia – Geschiedenis of Profetie?