2019 Aflevering 10: Jezus wordt Middellaar en Losser

vrijdag 08 maart

Jesaja 50:1-3 De Roep om een Losser

 

1: Dit is wat Jahweh zegt: Waar dan is de scheidingsakte van uw moeder, waarmee Ik haar weggezonden heb? Of: wie treedt op als mijn vereffenaar alsof Ik hen zonder voorwaarden aan u zou overleveren? Zie, om zware zonden werd u overgeleverd en om uw overtredingen werd uw moeder weggezonden.

Het woord moeder ziet op de voorouders van het volk Israël die de oorzaak van de breuk in het verbond waren. Vers 1 is een retorische vraag, want er is nooit een scheidingsakte opgemaakt. Het Sinaïtische verbond mag dan wel verbroken zijn, maar het volk Israël is toch niet vrij. Hosea 3:4 (Grondtekst) zegt daarover:\

Want de kinderen Israëls zullen vele dagen zonder koning of legeroverste blijven, zonder offerande, zonder gewijde steen, zonder Efod en zonder uitlegger*.

De tekst is duidelijk. Israël zal velen dagen (= eeuwen) zonder koning blijven, zonder tempel (offerande), zonder altaar (gewijde steen) om te offeren en zonder leiding van God (Efod en uitlegger). De schuld die Israël draagt moet eerst worden ingelost, voordat de band tussen God en zijn volk kan worden hersteld. Daarvoor is een vereffenaar nodig die als losser optreedt. Dat is de Dienaar van Jahweh die tevens Jezus Christus heet. Als Hij komt wordt Hosea 3:5 vervuld:

Daarna zullen de kinderen Israëls terugkeren. Dan zullen zij Jahweh, hun God, zoeken en David, hun koning. Zo zullen zij bevende tot Jahweh komen en tot zijn zegeningen, in het laatst der dagen. Duidelijk toch? (*Vertaling: Van de Weerd, De Profeet Hosea)

Jesaja 50:4-11 Jezus Aanvaardt zijn Ambt van Middelaar en Losser

Jezus spreekt hier als Dienaar van Jahweh. Hij aanvaardt de opdracht om als Losser op te treden. Dat betekent dat Hij plaatsvervangend de schuld van Israël moet verzoenen om zo de weg naar het herstel van de relatie met God te openen. Dat gaat gepaard met groot lijden en het bijzondere is dat Hij zich daarvan vanaf het begin bewust is geweest. Zijn tweede taak is om Israël terug te voeren tot God. Maar dat volk zucht onder een geest van diepe slaap (Romeinen 11:7-8), ook wel bedekking genoemd. Het heeft oren, maar begrijpt niets en ogen maar ziet niets (Jesaja 6:9-10 en 42:20). Het is daarom dat Israël opnieuw onderricht moet worden (vers 4a). Dat begon met de boodschap: bekeert u want het koninkrijk van de hemel is nabij gekomen (Mattheüs 4:17).

4a: De Heer, Jahweh, gaf Mij de taal van leerlingen om kennis over te dragen,

Jezus wordt begiftigd met bijzondere eigenschappen om de boodschap van God over te brengen. Hij ontvangt de taal van leerlingen om zo kennis te kunnen overdragen. Daarmee werd tevens de bedekking, die op het Joodse volk lag, tijdelijk opgeheven. Jezus sprak eenvoudig, zodat een ieder hem kon begrijpen. Zijn woorden raakten het hart van mensen.

4b: Om hen die uitgeput zijn te ondersteunen met het Woord dat Hij wekt in de dageraad. In de dageraad zal Hij hoorders ten behoeve van Mij inspireren om als discipelen te luisteren.

Maar, de profetie gaat verder. Want toen de Joden Hem afwezen als Messias, legde God weer  een bedekking op het volk Israël en van die tijd af geldt 2 Korintiërs 3:15 en 16 (NBG):

Ja, tot heden toe ligt, telkens wanneer Mozes voorgelezen wordt, een bedekking over hun hart, maar telkens wanneer iemand zich tot de Here bekeerd heeft, wordt de bedekking weggenomen. De Here nu is de Geest; en waar de Geest des Heren is, is vrijheid.

Dus een Jood wordt alleen van die bedekking verlost als hij Jezus Christus als zijn Zaligmaker aanneemt en zo losraakt van die bedekking, maar dat gebeurt helaas sporadisch. Echter, in de Eindtijd (de dageraad) zal het Woord weer opgewekt worden. Dan zal God de hoorders (= zij die willen luisteren) ten behoeve van Mij inspireren om als discipelen te luisteren. En zo zal

gans Israël (= het bekeerde Israël) behouden worden (Romeinen 11).

5: De Heer, Jahweh, heeft, ten behoeve van Mij, het oor wijd open gemaakt en Ík was niet ongehoorzaam; Ik deinsde er niet voor terug.

Hier spreekt de profetie niet over de oren van Jezus, maar over die van het volk Israël. Want God hief de geest van diepe slaap tijdelijk op – ten behoeve van Mij (= Christus). Zo werd de weg om tot bekering te komen en Jezus te volgen, veel gemakkelijker. Daarmee begon tevens de aardse taak van Jezus en kon Hij zijn volk de Schriften uitleggen. Het zou hem naar de dood aan het kruis leiden, maar hij was gehoorzaam en deinsde er niet voor terug.

6: Ik heb mijn rug blootgesteld aan mijn folteraarsWie Mij de baard uittrokbood ik mijn wangen aan.  Ik heb mijn gezicht niet verborgen toen ze Mij beschimpten en bespuwden.

7: Maar de Heer, Jahweh, zal Mij helpen. Het is in rechte dat Ik geen schande over Mij afroep. Het is in rechte dat Ik mijn aangezicht onbewogen houd. Ja Ik weet zeker dat Ik niet word beschaamd.

De profetie schetst op indringende wijze de foltering en dood van Jezus Christus, eeuwen voor zijn dood. Jezus moest zwaar lijden ondergaan om de zondeschuld van de mens te verzoenen. Daarvoor ontvangt Hij kracht van God (zal Mij helpen). De profetie omschrijft zijn taak in het licht van Gods gerechtigheid. Want het lijden en de schande die Hij in mensenogen ondergaat, is geen schande in de ogen van God. Want Hij ondergaat het in rechte, dus handelt Jezus volgens de wet en kan Hij er daarom op vertrouwen dat Hij niet in zijn middelaarrol wordt beschaamd.

8a: Mijn rechtvaardigmaking is nabij. Wie zal strijden naast Mij?  Laat ons samen opstaan.

Het woord rechtvaardigmaking duidt op de rol van Jezus als Middelaar. Die volbracht Hij aan het kruis. Is zijn taak daarmee ten einde? Neen, hij moet nog koning worden en de wereld de Sjalom brengen. Dat gebeurt bij Zijn tweede komst, want dan komt Hij met macht. Vandaar de vraag: Wie zal strijden naast Mij?  Dat kun je natuurlijk projecteren op Zijn lijden en sterven, toen iedereen hem verliet en Jezus er alleen voorstond. Echter, ten diepste wijst deze profetie op het einde van De Grote Verdrukking, als Jezus terugkomt. Wie zal dan zijn zijde kiezen? Het is een oproep een keuze te maken: voor of tegen Jezus Christus.

8b: ie werpt zich op als meester van mijn rechtmatig oordeel? Laat hem naderen tot Mij.

In feite daagt Jezus hier Satan en zijn kwade medestanders uit. Dat blijkt ook uit de toepassing van het woord ba‘al (meester). Dat betekent eigenaar, maar ook Baäl, een afgod die hoererij tot religie verheft en daarin herkennen we het Babylon van de Eindtijd – de grote hoer –; het rijk van de Antichrist. Nog eenmaal zal het volk Israël de afgoden dienen. Dat gebeurt in De Grote Verdrukking als een groot deel van Israël zich aansluit bij de Antichrist. De uitdaging is: Wie is in staat het rechtmatig oordeel, dat voorwaarde is om de breuk met God te helen, uit te voeren? Niemand dan Jezus alleen!

9: Zie, de Heer, Jahweh, omringt Mij. Wie dan Hij alleen zal Mij veroordelen? Zie, zij allen zijn als een kledingstuk dat verslijt; de mot zal ze opeten.

Zo wordt de Middelaar, Jezus Christus, ver verheven boven zijn tegenstanders. Niemand kan Hem oordelen dan God alleen. En zijn vijanden?... zij zullen zich te pletter lopen tegen Gods recht, want dat is hier in het geding. Zij zullen als een kledingstuk verslijten.

Jesaja 50:10-11 Wie niet voor Mij is, is tegen Mij!

10: Wie is er onder u die Jahweh vreest en luistert naar de stem van zijn Dienaar; die in duisternis wandelt waar geen licht schijnt voor hem? Laat hem vertrouwen hebben in de naam van Jahweh, laat hij steunen op zijn eigen Godheid.

De tekst spreekt niet over het maken van een keuze wanneer het ons uitkomt. Hier wordt de mensheid als geheel gelast een definitieve keuze te maken: Satan of Jezus. Kies je voor Jezus, dan mag je steunen op je eigen Godheid, want dat is Hij: mens en God.

11: Zie, u allen hebt het vuur aangewakkerd. Ik zal mijzelf omgorden met een vlammend hart en met de gloed van uw vuur; ja, van de vuurbrand die u aanstak. Dit geschiedt u door Mijn hand; in kwelling zult  u neerliggen.

Wie voor Satan kiest valt onder het oordeel. Want Gods vijanden hebben het vuur van Zijn toorn zelf aangewakkerd. En als Jahweh komt om hen te straffen zal Hij omgord zijn met verterend vuur (vlammend hart) en dat zal zich vermengen met de vuurbrand die zijzelf aanstaken  en wie kan dan bestaan?

Jesaja 51:1-8 Het Gelovig Overblijfsel Bemoedigd

Jesaja 51 wordt door verklaarders algemeen oninteressant gevonden en het wordt daarom meestal vluchtig behandeld. Theologen die er wel dieper op ingaan, herhalen reeds uitvoerig besproken standpunten in wat andere bewoordingen. Opvallend is dat het gewoonlijk slechts meningen zijn die niet of nauwelijks onderbouwd worden. In elke tak van wetenschap zou dat afgeserveerd worden als woordenkramerij, echter in de theologie ligt de acceptatiegrens laag, want voor elk standpunt is wel een doelgroep te vinden die dat voor zoete koek slikt.

Wij huldigen een ander standpunt. Die vindt zijn bron niet in een kerkelijk dogma, noch in de wereldgelijkvormige mening van seculiere en vrijzinnige Bijbelgeleerden. Deze verklaring wortelt in de grondtekst, want die is fantastisch gedetailleerd! Echter, omdat die details op de Eindtijd wijzen, werd dit niet als een mogelijke weg erkend en zo werd de profetie toegedekt. Maar in het detail worden juist de ontbrekende puzzelstukjes geleverd die Jesaja 51 verstaanbaar maken. Indien men dat ziet, dan ontvouwt zich een belangrijke profetie en zijn we getuige van ingrijpende gebeurtenissen in de toekomst. Dan ontdekken we een panorama van de Raad Gods dat tot de meest gedetailleerde en informatieve profetieën van de Bijbel behoort.

1a: Hoor naar Mij gij najagers van gerechtigheid, zoekers van Jahweh: Kijk uit naar de machtige Rots.

Jahweh (Mij) spreekt (zie vers 5-7) tot de najagers van gerechtigheid. Dat betreft een bekeerd Israël en die toestand vinden we alleen aan het einde van De Grote Verdrukking, als onbekeerd Israël (Jakob genoemd) is afgescheiden en omkomt. Ze zijn zoekers van Jahweh, want zij verwachten de komst van de Messias en de terugkeer van Jahweh in de tempel. Zij doorgronden de profetieën over de Eindtijd en weten dat God met macht komt om de aarde te richten. De machtige Rots is Jezus Christus, de Messias, die immers op de Olijfberg zal terugkeren.

1b: U werd gespleten door de god van de vervloekte groeve, ja u werd doorboord.

Met de god van de vervloekte groeve wordt hoogstwaarschijnlijk Satan bedoeld. Hij zal tijdens De Grote Verdrukking vreselijk huishouden onder het volk Israël (u werd doorboord), maar aan het einde wordt Satan gebonden en voor 1000 jaar opgesloten in de vervloekte groeve.

Ook hier is de profetie adembenemend gedetailleerd. Want als Jesaja over gespleten spreekt, mogen we dat gerust letterlijk nemen. Want het verbond met de Antichrist – dat halverwege De Grote Verdrukking zal worden verbroken (Daniël 9:27), omdat de Antichrist het beeld van het beest opricht (de gruwel van de verwoesting; Mattheüs 24:15) dat door een ieder aanbeden zal moeten worden op straffe des doods (Openbaring 13:15) – zal het volk Israël in twee delen splijten. Een gelovig deel (dat zwaar vervolgd zal worden) en een ongelovig deel (dat zich zal overleveren aan Satan). De overlevenden van het gelovige deel zullen achterblijven in Jeruzalem en de Messias mogen ontvangen. Het ongelovige deel (Jakob genoemd) zal, na de nederlaag van de Antichrist, de stad ontvluchten (Zacharia 14:2 – de helft van de stad) en sterven (uitgeroeid).

2: Zie op Abraham, uw vader en op Sara, die u heeft gebaard. Toen Ik hem riep was hij nog alleen, maar Ik riep hem en Ik heb hem gezegend en maakte hem talrijk.

De gelovigen (1b: U) wordt nu moed ingesproken. Abraham was maar alleen en toch ontstond uit hem een groot volk. Dat zal ook gebeuren met het gelovige overblijfsel van Israël.

3: Want Jahweh zal Sion vertroosten. Hij zal mededogen hebben met al de woeste plaatsen en de wildernis als Eden maken; ja, de Arabah van haar als de tuin van Jahweh. Vreugde en blijdschap zal in haar gevonden worden; dankzegging en muziek met gezang.

Sion (haar) is natuurlijk Jeruzalem. In de Eindtijd wordt het hoofdstad van het nieuwe Israël dat zal delen in de zegeningen die zowel het volk als het land ten deel zullen vallen. Er wordt een parallel getrokken met de tuin (Hof) van Eden vóór de zondeval en dat is veelzeggend.

4: Luister aandachtig naar Mij, gij Mijn eigen volk. En gij Mijn naties hoor aandachtig toe, want de onderwijzing zal van Mijn nabijheid uitgaan en mijn rechtmatig oordeel zal Ik tot een licht van de verbonden volken maken.

Jesaja speelt met woorden. Zo worden niet-Joden in de Bijbel gewoonlijk met gôyim (heiden- volken) aangeduid. Diezelfde volken worden nu le’ôwm (naties) genoemd. Dat woord is echter neutraal – geen vijand maar ook geen bondgenoot – de situatie na de nederlaag van de Antichrist en Gog, als alle naties van de wereld zich zullen buigen voor Jahweh (vandaar Mijn naties). Die naties ontvangen onderwijs van God en zullen dan assimileren tot een met Jahweh verbonden volk. Die derde fase wordt omschreven met ‘ammîm; verbonden volken. Zo zien we ook hier weer, hoe fantastisch gedetailleerd God spreekt.

Een wereld die kort daarvoor de Antichrist nog volgde, moet worden omgeschoold. Daarom zal vanuit Jeruzalem, vanuit de directe nabijheid van Jahweh, onderwijzing uitgaan. Dat zal de wereld transformeren tot een paradijs, vandaar dat de profetie van het licht van de volken spreekt.

5: Mijn gerechtigheid is nabij, Mijn heil is onderweg en Mijn armen zullen de volken het recht brengen. De kustlanden zullen naar Mij uitzien en op Mijn arm hun hoop stellen.

Hier wordt  nog eens bevestigd dat Jesaja over de tijd kort na De Grote Verdrukking spreekt. De gerechtigheid – de regering van Jahweh, onder stadhouderschap van de Messias – en het heil wat daarmee samenhangt, is nabij en onderweg. Dat wil zeggen: de uitvoering gaat spoedig beginnen. Mijn armen zijn synoniem voor de zetel van Gods macht. Te denken valt aan politie, ambtenaren en rechterlijke macht. Die worden niet aangesteld om de volken te onderdrukken en uit te buiten, zoals de Antichrist deed, maar om de volken van de wereld recht te brengen. De kustlanden (de grote bevolkingscentra) zijn als eersten aan de beurt en zij zullen reikhalzend uitzien naar Mij en op Jahweh hun hoop stellen. Dat is begrijpelijk, want na de gruwelen van De Grote Verdrukking en de dood van de Antichrist en de Valse Profeet, zal de mens in Jahweh en Jezus Christus nog zijn enige hoop zien om uit de misère te komen.

6: Hef u ogen op naar de hemelen, aanschouw de aarde beneden. Want de hemelen zijn als rook; zij lossen op. De aarde verslijt als een kleed en haar bewoners sterven terecht. Maar Mijn heil zal voor altijd bestaan en Mijn gerechtigheid zal niet beschamen.

Deze profetie wijst de aangesprokenen, gelovige Israël – op het nabije verleden en wel het tweede gedeelte van De Grote Verdrukking als de oordelen van God over de aarde worden uitgestort.  Die zullen enorme verwoestingen aanrichten. Daarom staat er: De aarde verslijt als een kleed en haar bewoners sterven terecht (terecht = volgens het recht, omdat de wereld aan Satans kant zal staan en dan Gods vijand is geworden). Die oordelen zijn nu ten einde en de Hoogheilige God belooft hen toekomstig heil en gerechtigheid op aarde; het Messiaanse Rijk dus.

7: Luister naar Mij, u die weet wat gerechtigheid is, volk dat mijn Thora in uw hart draagt Vrees niet voor de smaad van mensen en voor de lasteringen van de god van terreur.

Het gelovige Israël wordt duidelijk omschreven. Het is een volk dat weet wat gerechtigheid is en de Thora van God in hun hart draagt. Dat sluit uit dat het over enig ander tijdstip in het verleden gaat. Want die gezindheid van Israël wordt pas werkelijkheid als Israël tot bekering komt. Dat gebeurt pas in de Eindtijd (Zacharia 12:10-14).

Zoals reeds gezegd wijst de profetie op het einde van De Grote Verdrukking. Op dat moment is het beeld van het beest kennelijk nog niet vernietigd en de Antichrist nog niet gedood, want er wordt gesproken over de lasteringen van de god van terreur. Waarschijnlijk is dat de Gruwel van de Verwoesting, waar Jezus in Mattheüs 24:15-22 over spreekt en Daniël 11:31. Dat is een afgodsbeeld dat de Antichrist in de tempel zal oprichten (Openbaring 13:14-18). Daarin zal de geest van Satan varen en dat beeld zal zelfs spreken en Jahweh openlijk lasteren. De smaad van mensen duidt op de situatie tijdens de regering van de Antichrist, als gelovige Joden overal ter wereld vervolgd en geminacht worden.

8: Want zij zullen worden aangevreten zoals een mot een kledingstuk aanvreet en verslonden zoals de wol door de larve verslonden wordt. Maar Mijn gerechtigheid zal voor altijd bestaan en mijn heil voor de komende generaties.

Op poëtische wijze wordt de ondergang van de antigoddelijke machten voorzegd. De macht van de Antichrist wordt eerst van binnenuit aangevallen, omdat zijn vazallen tegen hem in opstand komen. Daar overheen komen nog de oordelen van God en de komst van de Messias, waarvan gezegd wordt; 2 Thessalonicenzen 2:8 (HSV):

Dan zal de wetteloze (Antichrist) geopenbaard worden. De Heere (Jezus) zal hem verteren door de Geest van Zijn mond en hem tenietdoen door de verschijning bij Zijn komst.

Met de dood van de Antichrist en de ondergang van Gog en zijn leger, kan het tijdperk van de gerechtigheid en het heil beginnen; het Messiaanse Rijk.

Terug naar overzicht
2019 Aflevering 10: Jezus wordt Middellaar en Losser